Het Nieuwe Jaar

Versjes van Tante Lize

Teekeningen van E. Schuur

ALKMAAR - GEBR. KLUITMAN.

 

 

 

Nieuw Jaar.

In zijn warme, zachte bedje sluimert rustig 't lieve kind ;

Droomt met popje in bei zijn armpjes ;

Stil ! het nieuwe jaar begint.

 

Alles slaapt ; de clown ligt vreedzaam 

Naast den grijzen olifant.

Kleintje's schoentjes staan heel netjes

Samen voor het ledikant.

 

Daar trippelt en trappelt wat op de trap, 

Nu komt iets de gang door van stap-stap-stap-

Er klopt iemand zachtjes, heel zachtjes aan,

De kamerdeur wordt dan open gedaan.

 

Wij zijn het, de maanden, wees stil, wees stil,

Zie maar, Januari en Maart en April,

Februari en Mei, Juni, Juli, September,

Augustus, October, November, December.

 

Wij brengen allen wat moois voor je mee !

't Verwonderde kindje lacht blij en tevree,

En ziet het twaalftal op trippelende voetjes

Langs 't bedje stappen, heel zacht en zoetjes.

 

_____________________

 

 

 

 

Flinke Hans.

Wat is het koud ! De vlokjes vallen 

Gestadig uit den hemel neer ;

Maar Hans geeft niets om sneeuw en regen

En lacht om 't allerguurste weer.

 

Geen wonder ook, wie zoo er in zit

Als onze kleine Hanneman, 

Die spot met zulke kleinigheden,

En trek zich van de kou niets an.

 

Een warme muts, twee wollen wanten,

Twee gummischoenen, waterdicht.

Niets kan den kleinen dikzak deren,

Je ziet het aan zijn frisch gezicht.

 

En als de sneeuwstorm aan komt vliegen

En roept : ,,Waar is vriend Hanneman ?''

Dan juicht hij vroolijk : ,,Hier, heer Sneeuwstorm,

Blaas me maar om als je kan !''

 

Ziet, lieve kindren, naar ons plaatje,

De witte vlokken dwarrlen neer,

Maar Hans in 't warme winterpakje

Geeft niets om 't allerguurste weer

 

_________________

 

 

 

 

Bij de Koopvrouw

,,Goeden morgen, juffrouw Meier,

Gaat het u nog goed ?

En hoe is het met uw kinders,

Is de kleine zoet ?

 

,,En waarmee kan ik u dienen ?

Drie pond tarwe meel ?

Als 't u blieft - en nog iets anders ?''

,,Vijf cent pijp kaneel -''

 

,,Ook wat krenten en rozijnen ?

Paschen is nabij ;

Moet u niet een feesttaart bakken ?

Maak uw kroos eens blij !

 

,,En Juffrouw, 'k heb fijne visschien,

Echt iets naar uw zin,

D' allerdikste zwom zooever

Hier den winkel in.

 

,,Lacht u m' uit ? 't is toch geen leugen !

Wat blieft u, Juffrouw ?

Moet u spoedig weer naar huis toe ?

Goed ik help u gauw.

 

,,Even tellen - net een gulden

Alles met elkaar !

Wacht een snoepje voor de kleine,

En dan zijn we klaar.

 

,,Wel bedankt, hoor, Juffrouw Meier -

Zie 'k u spoedig weer ?

'k Wensch u een pleizierig Paaschfeest -

Tot een andren keer !"

 

______________

 

 

 

 

Paschen.

't Is Paschen, kinderen, wat een pret !

Nu gaan wij eitjes zoeken ;

Het haasje heeft ze hier gebracht,

Verstopt in alle hoeken.

 

Niet in den grooten tuin alleen,

Bij struiken en bij boomen,

Het aardig diertje is zelfs hier

Heel stil in huis gekomen.

 

Hij lei ze hier, hij lei ze daar,

Het oolijk, vroolijk haasje ;

Wat zijn ze alle mooi gekleurd

Door 't knappe schildersbaasje.

 

't Is Paschen, kindren, wat een pret !

Nu gaan wij eitjes zoeken ;

Rie vindt ze daar, Jan vindt ze hier,

Ze zijn in alle hoeken.

 

______________

 

 

 

 

Lente

Zoo lieflijk straalt de zonne,

Zoo heerlijk bloeit de wei,

De bijtjes zoemen vroolijk,

En 't vogelken zingt blij.

De groene kikkers kwaken,

Het vlindertje zweeft rond,

En op het grasveld spelen

De kind'ren bruin en blond.

 

Klein Liesje ligt te droomen,

Terwijl de zon haar kust,

Maar Hans en zusje Lientje

Die gunnen zich geen rust.

Die zingen en die springen

En loopen heen en weer,

En plukken dotterbloemen

En madeliefjes teer.

 

En zie, terwijl ze spelen

Zoo zorgeloos en zoet,

Treedt plotseling een schoone

Godin hen te gemoet.

Ze heeft goudblonde haren

En oogen lief en zacht,

Ze draagt een blauwen mantel,

Bezaaid met sterrenpracht.

 

De kind'ren willen vluchten,

Maar vriendlijk wenkt de fee,

Zij kust de kleine Liesje,

En liefkoost de andere twee,

Dan spreekt ze zacht en droevig :

,,Wat hebt ge nu gedaan ?

Mijn arme bloemenkind'ren !

Hadt ze toch laten staan !

 

Ze hebben ook een zieltje

Heel mooi en teer en fijn,

Ze waren zoo tevreden

Hier in den zonneschijn.

Ze bloeien even vroolijk

En even blij als gij,

Nu gaan ze spoedig sterven,

Hun leventje is voorbij.''

 

De fee verdwijnt ; de kind'ren

Blijven onthutst daar staan,

Ze staren dan elkander,

Dan weer de bloempjes aan.

En eindlijk legt klein Liesje

Den ruiker op den grond,

En zegt : ,,Toe, lieve Lente,

Maak jij ze weer gezond.''

 

________________

 

 

 

 

 

Pinksteren.

Het Pinksterfeest valt in den lieflijksten tijd,

Dan bloeien de bloemkens teer wijd en zijd.

 

Dan zingen de vogelkens zoet op hun best,

Dan hebben ze jongen of eitjes in 't nest.

 

Dan schittert het zonnetje in helblauwe lucht,

Dan fladdren de vlinders in dartele vlucht.

 

Dan peuren de biekens hun honingje zoet,

Dan dansen de kinderen met lustig gemoed.

 

Dan draagt de kastanje zijn kaarsbloempjes blond,

De jeugd, in een kring, spring er juichend om rond.

 

En alles zingt vroolijk en lustig en blij,

De lente, het lieflijkst en schoonste getij.

 

_________________

 

 

 

 

De oude Orgelman.

Kent gij den ouden orgelman,

Die zooveel liedjes spelen kan ?

Hij is bemind bij klein en groot,

Elk gunt hem graag een stukje brood.

Trala-trala-trala.

 

Hij stompelt alle straten door,

En overal vindt hij gehoor,

En als hij speelt zijn deuntjes blij,

Trala-trala-trala.

 

Komt mede, Liesje, Jo, Marie,

Hoor eens wat mooie melodie,

Daar kun je niet bij blijven staan,

Je moet wel aan het dansen.

Trala-trala-trala

 

Toe, nog een walsje, orgelman,

Zie, hoe mijn popje draaien kan,

Ga nog niet verder, blijf wat, toe,

Straks vraag ik centjes aan mijn Moe,

Trala-trala-trala.

 

Kent ge den ouden orgelman,

Die zooveel liedjes spelen kan,

Hij is bemind bij klein en groot,

Elk gunt hem graag zijn stukje brood.

Trala-trala-trala.

 

___________

 

 

 

 

Wim's Verjaardag.

Onze Wim is jarig,

Menschen, wat een pret !

Heel vroeg in den morgen

Sprong hij uit zijn bed.

Kleine Wimpie werd zes jaar,

Wat een heerlijk feest, niet waar ?

 

Wim kreeg veel geschenken,

Kijk maar op de prent ;

Niemand heeft vergeten

Onzen kleinen vent.

Schrijfgereedschap en een bal,

Schooltasch, spoortrein wat niet al !

 

Al zijn lieve gasten

Brengen hem wat mee.

Zie hem vriendlijk kijken.

Hij is zoo tevree.

Daar komt weer een kleuter aan ;

Wim, je moet maar blijven staan.

 

En wat ziet de tafel

Er recht feestlijk uit,

En wat toch dat kaarslicht

Op die taart beduidt ?

'k Zal 't je zeggen, vlug en klaar,

Ieder kaarsje telt één jaar.

 

Nu komt de tractatie,

Dat zal heerlijk zijn,

Koek en limonade,

Taart en bessenwijn.

Welk een vreugde, welk een pret,

Wim gaat vast niet vroeg naar bed !

 

_________________

 

 

 

 

De Stoomboot.

De regen viel bij stroomen,

De straat is net een zee.

Nu kan mijn stoomboot varen,

Flink schiet hij door de baren,

Hoezee, hoezee, hoezee !

 

Wat zeg je van mijn scheepje ?

Ik ben de kapitein.

Aan boord zijn de matrozen,

Zes echte bolleboozen.

De stuurman is broer Hein.

 

We spelen, dat we stroomen

Naar Noord Amerika.

We hebben puike lading,

Wis iets naar jullie gading,

Fijn fruit en chocola. -

 

Straks zijn we zeepiraten,

Ga dan maar op de vlucht,

Wee, die ons durft genaken,

We zijn zeer koene snaken,

En overal geducht.

 

Daar komt het vlugge bootje ;

Toe, houd het vast, broer Hein,

Zie het eens kranig varen,

Hoe schiet het door de baren,

Ik ben zijn kapitein !

___________

 

 

 

Van de kleine, grijze Muisjes.

In 't warme muizennestje

Zaten ze bij elkaar,

Zes arme, kleine muisjes . . .

Waar bleef hun moeder, waar ?

 

Och, ze had hen verlaten

Meer dan een uur geleên

Om brood en spek te halen . . .

Waar was ze toch wel heen ?

 

Ook vader werd onrustig,

Wis was er wat gebeurd ;

Misschien had Puck, de kater,

De arme wel verscheurd.

 

Zacht sloop hij naar de keuken,

En, o, daar zag hij 't al,

De moeder van zijn kleintjes

Zat in een groote val.

 

Toen vluchtte 't arme muisje

Naar 't holletje weer vlug,

Maar moeder muis kwam nimmer

Meer bij haar kroos terug.

_______________

 

 

 

 

De Tooverlantaarn.

Het laken is gespannen,

Het licht is uitgegaan,

Nu stil zijn, kleine snaken,

't Spel zal beginnen gaan.

 

Hoor grootpa eens vertellen,

Zie goed wat hij vertoont,

Dat uw aandachtig luistren

Zijn moeite ruim beloont !

 

Wat mooie, bonte beelden !

Nu zijt ge in Afrika,

Dan reizen we naar Spanje,

Dan zien we Amerika.

 

Kijk, bergen en rivieren

Trekken ons oog voorbij,

Ook grappige avonturen

En dieren velerlei.

 

Nu draaiend stergeschitter,

Dat vindt Marietje fijn,

Van vreugd klapt ze in de handjes,

Zie haar eens vroolijk zijn.

 

De kind'ren volgen stille

Het fraaie tooverspel,

O, ja, zoo'n winteravond

Bevalt de kleuters wel.

________________

 

 

 

 

Het Kerstfeest is nabij.

Ik heb iets wonderschoons aanschouwd,

En zal het je verhalen,

Ik liep door 't groote winterwoud

En zag de sterren stralen.

De maan keek vriendlijk op mij neer,

Sneeuwvlokjes vielen, blank en teer.

Toen plotsling in den kouden nacht

Hoorde ik gerinkel fijn en zacht.

 

Stil bleef ik staan. Daar kwam een man, 

Gewis van hooge jaren,

Hij had een ruigen, witten baard

En zilverwitte haren.

De grijsaard trok aan een lang koord

Een kleine, lichte slede voort ;

Daar zat een kindje op lief en zacht.

Een kindje in kouden winternacht.

 

De man droeg op zijn rug een zak,

(O, hij was zwaar beladen)

Die was met speelgoed volgepropt,

Met koek en chocolade ;

Ik zag een fraaien harlekijn

En een trompet, zoo keurig, fijn,

En poppen, o, zoo mooi en net,

Geloof me, 'k heb goed opgelet.

 

En 't kindje op de kleine slee

Moest wel 't Kerstkindje wezen,

Want op zijn vriendlijk aangezicht

Was liefde en trouw te lezen ;

Het voelde niets van koude en wind,

Dat lieve, hemelzoete kind.

Het had twee vleugeltjes heel fijn,

En lokjes glanzend als satijn.

 

Twee reetjes volgden 't kindekijn,

En toen . . . . nu moet je luistren,

O, kindern, 't is haast al te mooi,

Hoor goed - ik zal 't fluistren.

Toen kwam een engel, stralend, licht,

Met lachend, vriendlijk aangezicht,

Hij droeg een kerstboom wonderbaar,

Ja, lieve kleinen, het is waar !

 

De boom was, o, zoo schoon versierd,

'k Zag gouden vruchten pralen,

En op zijn top een groote ster,

Bij 't licht der kaarsjes stralen.

De stoet schreed langzaam door den nacht,

De klokjes klingelden zoo zacht,

Een groote vreugd kwam over mij,

Het Kerstfeest, kinderen, is nabij !

______________________

 

 

 

 

 

http://www.kluitman.nl

 

Back to Bookpage

 

BB&MM