ONGELUKSVOGEL EN GELUKSKIND

Naverteld door

Tante Lize

(E. Dopheide-Witte)8

   

VAN HOLKEMA EN WARENDORF

AMSTERDAM 1908

Lieve kindren, komt eens hier,

Rept je vlugge beentjes !

k Zal jeen wonder laten zien,

Maar . . . loop op je teentjes.

In ons nieuwe wiegelijn

Is iets moois. Wat zou het zijn ?

Zachtjes komen ze nabij,

Greetje, Frits en Lientje

Met haar bloempjes in de hand

En Sofie en Mientje.

Ziet, ze kijken de oogjes uit,

Let vooral op Frits, den guit !

 

O, hoe lief, twee zusjes klein,

n Blondje en een zwartje,

Zwartje huilt uit alle macht,

,,Wees toch zoet, mijn hartje !

Blondje lig daar muisjesstil,

Doet of het lachen wil.

Hoe t die beide zal vergaan,

Zal je verder hooren,

Zwartje is altoos ongeluk,

Blondje vreugd beschoren.

Reeds voor t eind van t eerste jaar

Was dit allen menschen klaar.

 

Moeder gaf hun eens een fleschje

En ze drinken blij,

Daar komt Mimi, t zwartwit poesje,

Zachtjes naderbij.

Zwarte Klaartje wil haar roepen,

Maar, wat ongeluk !

t Fleschje rolt haar uit de handjes

Op den grond, t is stuk.

Mimi slurp en spint heel zoetjes,

Klaartje huilt, trapt met de voetjes,

Blonde Maartje drink gerust

En tevre haar melk vol lust.

Ongeluksvogel noemt men Klaartje

En gelukskind kleine Maartje.

 

 

,,Hola ! Klaartje, kijk eens even,

k Trek mijn vlieger bij zijn staart

Uit de lucht zoo naar beneden,

Zie maar, met een vaart.

Wil je het ook eens proberen ?

Vraag Frits t ongelukskind ;

Dapper gaat zij daadlijk trekken,

Frits laat los gezwind.

 

O, die deugniet ! Kleine Klaartje

Schreeuwt van angst het uit,

Want zij voelt zich opgeheven,

Stoute Frites lacht luid.

Greetje komt vlug aangeloopen

En pakt kleine klaar,

Anders was ze weggevlogen,

t Scheelde maar n haar !

Fritsje kwam er z niet af,

Hij moest vroeg naar bed, voor straf !

 

Thuis kwam arme, kleine Klaartje,

Na die vlucht aan t vliegerstaartje

Nog wat duizelig en bleek

En ze voelde zich van streek.

 

 

Vlug grijpt zij het tafelkleedje

Maar, ,,nieuw ongeluk ! roept Greetje,

Wat op tafel zich bevond

Gaat rinkink nu op den grond.

Brood en suiker, koek en ei,

En de melkkan nog er bij.

t Tafelkleed hangt op haar hoofd

Klaartje zit daar, half verdoofd.

 

Blonde Maartje, 't andre wichtje

Kust haar zusjes lief gezichtje,

Zegt : ,,Je bent een zoete meid,

Als je niet zoo droevig schreit.

Kom, we gaan wat appels vangen,

Aan den boom zag k groote hangen.

Houd je schortje vlug maar op,

Windje, schud maar flink den top.

Appels rollen, maar t is heusch,

En valt hard op Klaartjes neus.

 

 

Plaaggeest Frits, we zullen t weten,

Is zijn leed al weer vergeten ;

In den kersenboom zit hij,

Eet er kersjes, o, zoo blij !

 

Plotseling ziet hij kleine Klaartje,

Met het blonde zusje Maartje,

En roept : ,,H, ongelukskind,

Klim den ladder op, gezwind !

Hier eet je je buikje rond,

Kersen eten is gezond !

Klaartje klimt heel vlug naar boven,

Frits glijdt naar benen

 

En gaat snel met kleine Maartje

En den ladder heen.

Klaartje in haar nieuwen nood

Huilt zich bei haar oogskens rood.

 

 

t Is al laat, de sterren flonkren

In den donkren nacht,

En de maan staat aan den hemel,

In haar stille pracht.

Uilen vliegen heen en weder

Langs de kleine Klaar ;

Och, dat niemand hier ging zoeken,

Kwam haar moeder maar !

Zachtjes zit een uilenvader

Echt op zijn gemak.

Met zijn groote, ronde oogen

Staart hij haar maar aan,

Alsof hij haar wilde vragen,

,,Waar kom jij vandaan ?

 

Eindelijk ziet zij door de boomen

Schitteren een licht,

Vader is t met een lantaren,

En een bang gezicht.

Moeder volg hem, hoe ze zoeken !

Klaartje roept nu luid :

,,Frits heeft mij alleen gelaten,

O, ik wil er uit !

Duilen vluchten, vader blijde

Haalt het kind benen,

Moeder kust haar, draagt haar veilig

In haar armen heen,

Legt in t bedje haar nu zacht,

Waar ze slaapt den ganschen nacht

 

 

Om het kleine ding te troosten

Bakt Moes nu een taart,

Ijverig helpen haar de kinderen,

Klaar en kleine Maart.

Moeke roert de gele boter,

En het meel doorheen,

 

Lustig knetteren de kolen,

Vlug loopt Klaartje heen.

In het zwarte kolenkastje

Vult ze snel den bak

Maar valt in haar grooten ijver

Om, met pak en zak.

,,Ongelukskind, wat zie je er uit !

Roept broer Frits, de stoute guit.

 

 

Klaartje en maartje t Tweelingpaartje

Vieren heden feest,

Allerhande kleine gasten

Zijn er al geweest.

Ieder bracht iets aardigs mee

Voor de lieve, jaarge twee.

 

Frits heeft ook zijn best gedaan,

Waar komt hij mee aan ?

Allen dringen om hem henen

En hij toont hen ras

Een door hem gevangen kikker

In een pot van glas.

 

Eerst werd t diertje goed bekeken

Maar bij spel en dans

Werd het spoedig weer vergeten :

t Kikkertje kreeg kans.

Het bleef liever niet gevangen,

Vlug den ladder op

 

En het deksel opgestooten

Met zijn groene kop.

 

Op de tafel nu gesprongen,

Kindren, frisch maar voortgezongen !

Kwaakje huppelt blij vooruit

Naar den vijver toe, zoon guit !

 

Maar op eens ziet Ongeluksklaartje

Groenrok vluchten met een vaartje :

Snel holt zij hem achterna,

Kwaakje is bij den vijver dra.

 

 

Hup ! n sprong en in den vijver

Zwemt de groenrok al vol ijver,

Klaartje wil hem vangen weer

Maar t geluk haar toch niet meer.

Daar ziet zij een bootje wieglen

En in t heldre nat zich spieglen,

Klaartje klimt er in gezwind,

Wees voorzichtig toch, lief kind !

 

t Bootje drijft al van den kant,

Klaartje strekt de kleine hand

Naar het waterlelieblad,

Waar de kikker spottend zat.

En het bootje, o, wat kruis !

Drijft steeds verder weg van huis.

 

Welk een droefheid, dagen lang

Zocht men t kleine meisje bang.

Blonde Maartje mist haar zeer

En huilt droevig telkens weer.

Moedertje stort traan op traan :

,,Waar zou t kind zijn heengegaan ?

O, ze is wis in angst en nood,

En misschien is ze wel dood !

 

Eens liep Maartje naar het Bosch

En zat peinzend op het mos,

Plotseling riep ze luid en blij :

,,Een gelukskind noemt men mij !

Een gelukskind ! is dat waar,

Dan vind ik mijn zusje Klaar.

 

 

Moedig loopt gelukskind voort

Door geen muis of vlieg gestoord.

Tot ze een aardig huisje ziet,

Niet gedekt door lei of riet

Maar met suiker, t vensterkijn

Is van borstplaat, keurig fijn.

Maartje steekt haar handjes uit,

Maar hoe schrikt de lieve guit !

n Oude heks met boos gezicht

Krijscht naar t lieve blonde wicht,

,,Blijf je van mijn huisje af,

Wacht, ik houd je hier voor straf.

t Kind roept : ,,O, ik vlucht van hier,

Moeder zegt, dat voor plezier

Jij de kindren vangen gaat

En dan opeet als gebraad.

 

 

,,Zoo, heb je dat al vernomen ?

Maar je zult me niet ontkomen,

k Eet jou op met huid en haar !

Grijns de heks met groot misbaar.

Stomplend komt ze uit het kluisje

Maar het kind ontvlucht het huisje,

Bij een beekje komt ze vlug,

Daar ziet zij een kleine brug,

Snelt er over . . . . doude na,

Maar die valt in t water dra,

 

Want ze stampte tot geluk

Met haar stok het brugje stuk.

Op een boomstam rust ze wat

En toen ze daar even zat,

Kwam een aardig dwergje klein,

Groette haar heel zacht en fijn

En zei : ,,Lieve, kleine meid

k Weet, je bent je zusje kwijt.

Maar ik help je nu voortaan,

k Zal met jou haar zoeken gaan !

 

 

Klaartjes bootje is vastgeloopen

En wil niet meer heen en weer.

,,Och waar zou ik nu toch wezen ?

Denkt het kind met angst en vreezen,

,,Kon ik maar bij moeder zijn,

Kom toch, lieve Moeke mijn !

 

Maar geen mensch hoort Klaartje klagen,

Slechts de kleine haasjes vragen

In hun taal : ,,Wat scheelt er aan ?

Hebben ze je kwaad gedaan ?

Ongeluksklaartje snikt en lacht,

Gaat dan slapen kalm en zacht.

 

Onderwijl zegt t vriendelijk dwergje :

,,Hoor eens, Maartje mijn,

t Zoeken in de groote bosschen

Zal heel lastig zijn.

Dan zijn hier veel booze dieren,

Maar ik weet wel raad,

We gaan zien of nog een derde

Met ons medegaat.

Ook gaan we eerst ons flink versterken,

Kracht is noodig bij het werken,

En heel dicht hier bij de hand

Ligt het zoet Luilekkerland.

Eerst gaan wij daar op bezoek,

Zie je wel dien reuzenkoek ?

Nu, daar dien je door te gaan,

Val er dus maar flink op aan !

 

 

En t gelukskind met haar vrind

Treden binnen blij gezind.

O, wat was daar alles fijn,

Bronnen vol met zoeten wijn !

n Prachtig sneeuwwit tafelkleed

Ligt zoo maar voor hen gereed

En dan rollen borden aan,

Och, waar komen ze vandaan ?

Messen, vorken vallen neer,

Uit de boomen keer op keer,

Alles goud, en dan de spijzen

Kwamen zoo den grond uit rijzen.

 

Soep, pasteitjes en gebraad,

Ham en groenten en salaad,

Sinaasappels, druiven zoet,

Taart en tulband, suikergoed

Vielen zoo maar uit de lucht

En het kind denkt met een zucht:

,,Was k hier maar met zusje Klaar,

Maar ik neem wat mee voor haar !

En de kleine krullebol

Stopte vlug haar zakken vol.

 

Klein Klaartje sliep rustig den ganschen nacht

Tot de zon weer was opgegaan,

Ze droomde van engeltjes zacht en ter,

Die keken haar meelijdend aan.

Doch toen ze haar kijkertjes opendeed,

Was nergens een engeltje, maar

 

Een heel oud ventje met n mand op zijn rug

Boog vriendlijk en sprak tot haar :

,,Wie ben je ? En Klaartje, het ongelukskind,

Vertelde hem bevend haar leed gezwind.

Toen nam hij haar mee over t groene mos

Naar zijn huisje, heel diep in het Bosch.

 

 

Daar haalt hij ijlings uit zijn kast

Een oud, grijs broekje, dat haar past

En zegt : ,,Geef mij je kleertjes vlug,

Die krijg je later wel terug.

 

Nu moet ze werken, boenen, sloven,

De kleeren kloppen, houtjes kloven,

Zelfs braden en . . . hoe schrikt ze dan

Als soms de vlam slaat in de pan.

 

Dan moet ze verder iedren morgen

De bloemen in den tuin verzorgen

En is ze met het werken klaar,

Dan brengt haar t oudje naald en schaar

 

En zegt, dat zij nu vlug en goed

Zijn kleeren eens verstellen moet.

Ons ongelukskind heeft groot verdriet

En als haar meester het niet ziet

Dan huilt ze in den langen nacht

Bij windgesuis en sterrenpracht.

 

 

t Gelukskind deed zich onder hand

Te goed in het Luilekkerland,

Toen voerde t dwergje, als de wind

Naar t ver kabouterrijk het kind,

Tot voor den koning op zijn troon

En t klein prinsesje wonderschoon.

t Was alles edelsteen en goud,

Nog nooit had zij zoo iets aanschouwd,

En, o, ze was zoo blij te moe,

De koning lacht haar minzaam toe.

Haar vriend, de dwerg, vertelde ras,

Waarom klein Maartje met hem was.

De koning zei : ,,Dats braaf, lief kind,

Ik hoop, dat je je zusje vindt !

Ik geef je vijf kabouters mee

Tot hulp en nu, vertrek in vree !

 

,,Nu maar vol ijver er op los !

Roept doudste dwerg en heel het Bosch

Gaan zij bij hoorngeschal nu door

Maar zien van t ongelukskind geen spoor.

En toen doorzocht zijn alle hoeken

Zegt een : ,,Laat ons den reus bezoeken,

Die in zijn slot, van storm ombruist,

Op gindschen hoogen rotsberg huist.

 

 

Na langen tocht ontwaren zij

Den reus, die op hen nederziet,

De dwergjes reiken tot zijn knie

En doudste, die hun groet hem biedt,

Zegt : ,,Goede, beste, brave reus,

Weer jij het ongelukskind misschien ?

Och, wil jeens kijken in het rond

Of jij haar ergens soms kunt zien ?

De reus is, o, zoon goede man,

Hij klim met hen zoo hoog hij kan,

Dan neemt hij op zijn arm de dwergen,

Zij kijken over dal en bergen.

Op eens zien zij een beekje klein

En n meisje, ja, dat moet ze zijn,

En kuichend roepen zij tot Maartje :

,,Gevonden is je zusje Klaartje !

 

 

 

t Was waar. Klein Klaartje bang en bleek

Staat met een hengel bij de beek,

Voor haar t waarlijk geen vermaak,

Een groote visch zit aan den haak.

Geweldig gaat het dier te keer

En rukt en trekt haar heen en weer,

Het kind barst los in luid geschrei,

Gelukkig redding is nabij !

 

 

,,Toet toet, toet toet ! hoog van de bergen,

Glijden nu plots de goede dwergen,

Blond Maartje in hun midden, bleek,

Is door de vaart wel wat van streek.

Daar zijn ze al, roetsch ! in t groene dal,

O, ongeluksvogeltje, sta pal !

 

,,Zeg, visch, het is met jou gedaan,

In t water krijg je Klaartje niet,

Wij halen jou aan land, sinjeur

Je zit al netjes in het riet,

Jij, met je grooten, dikken kop,

We peuzelen je lekker op !

 

 

In t huisje van den boschman is t

Nu feest, de dikke visch smaakt fijn !

De beide lieve meisjes, klein,

Maar t oudje, dat alleen nu blijft

Mist niet heel graag het goede kind,

Hij hield al, o, zoo veel van haar,

Maar een der dwergjes biedt gezwind

Zijn hulp en zegt : ,,k will voor U bakken

En houtjes hakken,

En iedren moregn

Je bloemen verzorgen,

Omdat je het kind hebt wl gedaan,

Maar laat haar nu naar haar moeder gaan.

 

De beide kleuters scheiden van hem

En snel gaat het nu weer vooruit.

De dwergjes trekken,

Ho, ho, hop, hop

Het bosch door, zie t gaat in galop !

De schoentjes gaan vroolijk van

Klip, klep, klap,

De voetekens tipplen van trippeldetrap !

 

Lang ging het nu door het bosch, zoo duister,

Daar zegt een dwergje met zacht gefluister :

,,Wees stil en maak niet te veel gedruisch,

Ik zie door de boomen het heksehuis !

Gelukskind vertelt, wat ze daar moest beleven,

Toen riepen zij : ,,Oudje, wacht maar even,

We vangen je, nare, booze vrouw !

En waarlijk, daar hebben ze reeds een touw.

Ze binden haar vast aan een dikken boom

En ijlen dan zonder vrees of schroom

Naar het huisje met zijn suikeren dak,

En eten en smullen op hun gemak.

Ze nemen van allerlei lekkers mee,

En ongeluksvogel zegt recht tevre,

,,Wat is dat huisje heerlijk en zoet,

Ei, ei, nu gaat het mij ook eens goed !

 

 

Aan t einde van t woud, in het rotsig dal

Wacht de vorst van t kabouterland,

Hij lacht en toont hen drie blaadjes van goud

In zijn uitgestrekte hand.

Toen spreekt hij het ongelukskindje toe :

,,Neem deze blaadjes, wees wel te moe,

Bewaar ze, dan treft je geen leed of druk,

Dan blijf je bevrijd van ongeluk !

Ze groeten den koning en danken hem,

En ijlen weer voort in een vaartje,

Daar zien ze het dak van hun ouderhuis,

Hoe jubelen Maartje en zus Klaartje.

,,O, lieve dwergjes, we danken je zeer,

Nu hebben wij gauw onze ouders weer,

Lief moesje, we komen ! Dag vriendjes klein !

We zullen altoos jullie dankbaar zijn !

 

De man scheen helder, de nacht brak aan

En donker werd reeds het woud,

De moeder zat droef op een bankje kleen

Voor t stille huisje heel alleen,

Daar hoort ze kindervoetjes gaan

En ziet het paartje voor zich staan.

Wat was dat een blijschap ! de moeder weent :

,,Nu kinderen, zijn wij weer vereend !

Ze moeten vertellen hun wedervaren

En waar ze bleven en waar ze waren,

 

Het poesje roept vroolijk met veel miauwtjes,

,,Waar heb je gezeten, zeg, kleine vrouwtjes ?

De kinderen praten maar, honderd uit,

En vragen van alles mat blij geluid.

En moeder zegt : ,,O, als vader vindt

Zijn blonde schat en zijn bruine kind

Wat zal het in huis dan een vriegde zijn !

Maar nu naar binnen, kindertjes mijn !

Er is in ons huisje iets nieuws gekomen,

Daar heb je gewis niet van kunnen droomen !

 

 

De kinderen hupplen het huisje in,

Daar hooren ze een zacht geluid,

In t wiegje trappelt een kindekijn,

Een lieve, mollige guit.

,,O, roepen ze blij, ,,hoe fijn, hoe fijn,

Nu hebben we een broertje, klein !

Ze kijken en streelen zijn haartjes zacht,

Maar Moedertje fluistert : ,,Kom, het is nacht,

 

Gaat slapen mijn schatjes, je moesje houdt wacht !

Daar liggen ze saam in hun bedje weer,

Zoo warm en rustigjes als weleer,

Hun kijkertjes vallen heel spoedig toe,

Want o, ze zijn toch zoo moe, zoo moe !

Het maantje kijkt stil door de vensterruit.

En nu . . . nu is het vertelseltje uit.

 

________________________________________________________________________________________

Boek nagemaakt voor een oude school jufvrouw.

2008 Nightwish_Whispe

MM&BB