Marietje in Sneeuwland

Een nieuw prentenboek van Sibylle von Olfers

Tekst van Tante Lize

(Mevrouw E. Dopheide-Witte)

Uitgave van C. A. J. van Dishoeck te bussum in het jaar 1909.

 

Marietje tuurt door het vensterken,
Haar hartje klopt snel en bang,
Want Moedertje is even uitgegaan . . .
En nu blijft ze weg zoo lang!
't Is buiten stil en de lucht is grauw
En sneeuwvlokjes dalen neer,
Maar zie, dat is geen gewone sneeuw,
't Zijn kindertjes wit en teer!

Sneeuwblanke kindertjes, lieflijk en rein,
Dalen omlaag uit den hemel,
Groeten Marietje en dansen in 't rond,
Lustig in vroolijk gewemel.
,,Ga je, lief kindje'', zoo lokken ze zoet,
,,Mee naar de Sneeuwkoninginne?
,,Neem dan je mof, trek je handschoentjes aan,
,,En wil niet lang je bezinnen.''
,,Graag'', roept Marietje met stralend gezicht,
Wenkend hen toe door de ruiten,
,,Even geduld, lieve sneeuwvlokjes fijn,
,,Dadelijk kom ik naar buiten''.

De Sneeuwvlokjes roepen nu gezwind
Den joligen, vroolijken Suizewind,
Die komt in zijn zilveren slede
Met spoed door het luchtruim gereden.
,,Stap in, klein Marietje, stap moedig in!
,,Het tochtje is voorzeker je naar den zin!''
,,Komt, Sneeuwvlokjes, laten wij ijlen,
,,Niet langer op aarde verwijlen!''

Daar staat nu Marietje in het Sneeuwpaleis
Van fonkelend kristallijn;
Het is of de torens van 't hooge slot,
De wanden van suiker zijn.
De Sneeuwkoningin draagt een rijk gewaad
En een kroon van diamant,
Zij heeft op haar schoot heur Prinsesje klein,
Dat reikt Marietje de hand.
Ze spreken het kindje vriendelijk toe
En nooden haar aan den disch,
Omdat het toevallig een heel groot feest,
Prinsesje's verjaardag is.

Marietje wil gaarne wat blijven
En gaat met Prinsesje mee,
Ze krijgen de kos'lijkste spijzen
En daarna een kopje thee.
Sneeuwmannen doen dienst als lakeien,
Bedienen met vlugge hand
Het lieve Prinsesje en haar gasten,
Of staan in postuur langs den wand.

Nu neemt het Sneeuwprinsesje
Marietje bij de hand
En leidt haar in een lusthof,
Een heerlijk tooverland.
Daar bloeien wonderbloemen
Van glinsterend kristal,
Als diamanten flonk'ren
De bloesems overal.
De grond, dien zij betreden,
Is spiegelglad en blank,
Sneeuwwit zijn gras en heesters,
De boomen hoog en slank.

De kinderen gaan nu spelen
In een prachtige, hooge hal,
Daar schitteren duizende lichtjes,
En schettert trompetgeschal.
De Sneeuwvlokjes dansen vroolijk
Om de vriend'lijke Koningin,
Ze hupplen steeds wilder in 't ronde,
Te wild naar Marietje's zin.

Marietje wordt o, zoo moe, zoo moe,
En gaat in haar oogjes wrijven,
Heur kleine voetjes doen haar zoo zeer,
Ze wil nu niet langer blijven.
Prinsesje smeekt haar : ,,toe blijf bij mij,
,,Ik heb nog veel prettige spelen,
,,Ik laat je mijn prachtigste poppen zien,
,,We zullen ons niet vervelen.''
,,Ik geef je kostbare pegels van ijs
En sneeuwballen zacht en fijn,''
Maar Marietje zegt : ,,neen, Prinsesje lief,
,,Ik wil weer bij Moesje zijn!''

Nu zegt de verstandige Koningin ;
,,Breng spoedig de slede voor!
,,Marietje, droog jij maar je traantjes af,
,,Je gaat naar je Moesje, hoor!''
,,Daar staat reeds de slee voor het Sneeuwpaleis,
,,Marietje, gaat dat niet vlug?''
Vier ijsbeertjes brengen de kleine meid
Pijlsnel nu naar huis terug.

Daar staat haar Moedertje-lief aan de deur,
Marietje ijlt naar haar toe
En roept : ,,ik kom van de Sneeuwkoningin,
Wat is het dáár heerlijk, Moe!''
En het kleine mondje vertelt zoo blij,
Van den tocht, dien ze heeft volbracht,
Van de lieve Prinses en de Sneeuwvlokjes klein
En 't paleis en zijn tooverpracht.
Wat zegt ge wel van zoo'n avontuur ?
Ge twijfelt er toch niet aan ?
Dan raad ik je, net als Marietje deed,
Eens zelf naar het Sneeuwrijk te gaan!