Bloemen-Kinderen

Teekeningen van Erica Von Kager Versjes van E. Dopheide-Witte (Tante Lize)

 

Uitgave van C.A.J. van Dishoeck N.V. te Bussum

 

 

LENTE

De winter is geweken,

De lucht is warm en zacht,

Het sneeuwkleed is gesmolten,

De lentezonne lacht.

 

De knoppen springen open,

De vogels fluiten weer,

En al het vliegend goedje

Is ijvrig in de weer.

 

Dat is een vroolijk leven,

Gezoem, getierelier,

De kleine krekels stemmen

Hun vedeltjes met zwier.

 

En al de bloemenkind'ren

Vormen een bontekrans,

En hopsa, heisa, hopsa,

Gaat 't op ten bloemendans. 

 

BLAUWBLOEMPJE

Blauwbloempje is blij op reis gegaan

Om 'n woonplaats uit te zoeken,

Het maakte reeds een verre tocht,

En keek in alle hoeken.

 

Daar ziet het aan den zoom van 't bosch

Een net en sierlijk huisje,

Er woont een vriendlijk kluizenaar,

Die groet haar ui zijn kluisje.

 

Blauwbloempje lacht ; ,,wat woont U leuk,

Hier wil ik ook graag wezen''.

,,Zet je maar neer, lief bloemenkind,

Je hebt voor niets te vreezen

 

En als je wilt, vertel me dan,

Van waar je bent gekomen,

Ik weet verhalen uit het woud,

Zoo mooi, om van te droomen.''

 

ZEFIERS ZEGETOCHT

Heer Winterstorm was moe en mat

Van al het buldren en het razen,

Hu ! wat had hij er op los geblazen.

Hij speelde met zijn witten baard

En keek tevreden neer op d'aard.

 

Daar kwam met zachten wiekenslag

De jonge Zefier aangevlogen,

Zijn haren leken zonnegoud,

Een blijde lach blonk in zijn oogen.

Hij riep : ,,Ik ga naar de aarde nu,

Heer Storm, men heeft genoeg van U.''

 

En Zefier floot zoo wonderzoet

Groen werden eensklaps bosch en weide,

En al de bloempjes tooiden zich

In zacht fluweel of teere zijde.

Een feeststoet trok langs berg en dal

En Lente was het overal.

 

BLOEIENDE BOOMEN

De boomen dragen bloesems,

Die geuren wonderzoet,

En zwermen nijvre bijtjes

Doen zich er aan te goed.

 

Ook wespen, vlinders, hommels,

Maken het feestmaal mee,

Ze zoemen en ze brommen

Gelukkig en tevree.

 

Ziet, elke bloesem draagt haast

Een kleinen lentegast,

De twijgen zachtjes buigen

Onder hun dubble last.

 

ZONNEWENDE

Nu is het kaarselicht ontstoken,

De groote balzaal is gereed,

De feetjes komen aan getrippeld

In zijde en kostbaar gaas gekleed.

 

De rozen glijden, lieflijk geurend,

De feestzaal binnen, wonderzacht,

In rood fluweel of roze zijde,

Getooid met koninklijke pracht.

 

Dan klinken lieflijk de violen,

De krekel zingt zijn lied er bij,

En sierlijk dansen al de rozen,

En 't elfenvolkje huppelt blij

 

Dat is het hoogfeest van den zomer,

Er komt geen eind aan spel en pret . . .

Dien dag gaan alle bloemenkinderen,

Door 't late bal niet vroeg naar bed.

 

BLOEMENBRUILOFT

De fiere Jonker Ridderspoor,

Trouwt met Jonkvrouw Papaver,

Bruidsmeisjes zijn Blauwklokje teer,

En Madeliefje en Klaver.

Ze trekken door het korenveld,

Door 'n groote vriendenschaar verzeld.

 

Vrouw Leeuwrik kijkt zich d'oogen uit,

't Nest kan ze niet verlaten,

Maar met een buurvrouw wel heel fijn

Het feestgedoe bepraten,

Hoe keurig zien ze er allen uit,

En wat een snoes is toch de bruid !

 

Als 't huwelijk voltrokken is,

Gaan ze blij bruiloft vieren,

Dan gaan de bloempjes aan den dans,

Aan 't zwaaien en aan 't zwieren.

Dan klinkt muziek en feestgezang

In 't korenveld nog uren lang.

 

IN DEN MOESTUIN

Wat is er toch in den moestuin te doen ?

Wat zijn ze aan het kibblen en kijven !

De boonen en erwten zijn kwaad op elkaar

En denken dat altijd te blijven.

De wortelen brommen : ,,Het weer is te droog,

Er moest eens wat regen komen,''

Een komkommer zegt : ,,Ik ontbeer hier de zon'',

En is daar boos over aan 't boomen.

Een koolraap hoort alles stilzwijgend aan

En denkt : ,,waartoe al die zorgen ?

De menschen eten ons toch maar op,

Is 't vandaag niet, dan zeker morgen !''

 

 

DE RADIJSJES

Wat hebben de kleine radijsjes een pret !

Ze hoorden eigenlijk lang in hun bed,

Maar ze lachen en praten met lust en moed,

Tot de stille nachtwacht de ronde doet.

Dan geeft er één even een zachte gil,

En opeens houden allen zich muisjesstil,

En is hij voorbij, de gestrengde heer,

Dan maken ze toch geen leven meer,

Dan leggen ze rustig zich op één oor ;

En slapen meestal tot den morgen door ;

Terwijl gluurt het maantje eens naar benee,

En lacht heel genoeglijk en heel tevree.

 

WOUDSPROOKJE

Er leefde eens in het groote woud

Een dokter, oud en vroed,

Zijn naam was Meester Vliegenzwam,

Hij droeg een rooden hoed.

 

Voor menschen kon hij giftig zijn,

Maar hij wist goeden raad

Voor bloemen, kevers, krekeltjes,

En deed hen nimmer kwaad.

 

Men kende hem heel ver in 't rond,

En wien wat overkwam,

Werd naar het hospitaal gebracht,

Van Meester Vliegenzwam.

 

Hij zette kromme pootjes recht,

En heelde schram en wond,

En maakte door zijn toovermacht

Iedre patient gezond !

 

CHRYSANTEN

De mooie chrysanten, in ruim gewaad,

Genieten haar middagthee,

Getooid in de rijke kleurenpracht

Van het zonneland over zee.

 

Eens woonden haar zusters in Japan,

Daar zouden ze liever zijn :

Hier vond men een korenbloempje mooi,

En een nietig viooltje fijn.

 

,,Hoe kwamen de menschen aan zoo'n smaak ?

Wie begreep daar nu iets van ?''

En zoo babbelden ze nog langen tijd,

Over hun geliefd Japan.

 

HERFSTTIJLOOZEN

Eer Moeder Aarde moede

Tot rusten zich bereidt,

Komen nog eenmaal bloemen

Voor slechts heel korten tijd.

 

Het zijn de herfsttijloozen,

In kleedjes licht en fijn,

Die ons nog vreugde geven,

Bij najaarszonneschijn.

 

HERFSTWIND

De herfstwind blaas met bolle kaken,

En jaagt de blaren voor zich uit,

De laatste bloemen vluchten angstig,

Geen vogeltje geeft meer geluid.

 

Dat is het afscheid van den zomer,

Nog staat het woud in bonte pracht,

Getooid met stralend goud en purper,

Vooral als blij de herfstzon lacht.

 

Maar als de boomen zijn ontbladerd,

Heeft herfstwind pas heel goed zijn zin,

Dan is hij Heer, en Moeder Aarde

Slaapt voor een lange poos dan in.

 

Back to Book page

 

MM&BB