A B C

EEN VROOLIJK ALPHABET

Met prentjes van JAN WIEGMAN en rijmpjes van E. DOPHEIDE-WITTE (Tante Lize)

S.L. VAN LOOY AMSTERDAM 1915

 

A is een appel met
blozende wangen.
,,Had ik je maar!”
Zegt Johan vol verlangen.

 

B is een boer, die heel
vroeg in den morgen
Gaat naar de weide
om zijn vee te verzorgen.

 

C is Catootje , hoe lief
klinkt haar liedje ,
Zacht zingt ze in
sluimer haar popje Margrietje.

 

D is een dansje van
Vroolijke peuters ;
Wie doet er mee
Met de jolige kleuters ?

 

E is klein Eefje ; zij
droomt van een feetje ,
Waar ze van las in
haar sprookjesboek , weet – je.

 

F is het fruit , dat broer
Hans met een kusje
Brengt bij zijn lieve ,
herstellende zusje .

 

G is het geld , dat voor
Moesje’s verjaren
Annie en Frits
in hun varkentje sparen.

 

H is de hond ; trouw
Bewaakt hij de kindren.
Als hij er bij is
zal niemand ze hindren.

 

I is een imker ,
Die Wim en Marijtje
Honing laat proeven
van ’t nijvere bijtje.

 

J is klein – Jantje , die
niets doet dan jenglen
Omdat hij niet met
zijn vriendje mag henglen.

 

K zijn kabouters ,
de vroolijke klantjes
Vullen met bramen
en bessen hun mandjes.

 

L is het lam ; hoor
je ’t diertje niet blaten ,
Is het misschien
door zijn moeder verlaten ?

 

M zijn de muisjes ,
die spelen op zolder ,
’t Gaat er op los dan
van holderdebolder.

 

N is stout Noortje ; zij
scheurde haar boekje ,
Nu staat de kleuter
voor straf in een hoekje

 

O is het oudje , dat
arm en verlaten ,
Bedelend strompelt
door stegen en straten.

 

P is paljas , met een
lach en een grapje
Houdt hij heel gaarne
de menschen voor ’t lapje.

 

Q is Quirinus , die
liever wil spelen
En bij zijn lessen
zich zit te vervelen

 

R is de reddingsboot ,
dwars door de baren
Tart haar bemanning
de grootste gevaren.

 

S is de schipper , stil
rookt hij zijn pijpje
en rust meteen na
den arbeid , begrijp je ?

 

T is de taart , die met
room we gaan vullen,
Jongens , wat zullen
we fijn er van smullen.

 

U zijn twee Urkers,
die netten verstellen,
Wie kan me wat van
hun eiland vertellen?

 

V is het vliegtuig ; wie
gaat er eens mede
Heel hoog de lucht in
en weer naar beneden?

 

W is de winkel , waar-
mee klein Catootje
Speelt met haar buur-
tjes Marietje en Margootje

 

X is Xantippe , elk
hoorde haar noemen.
Zij kon gewis op
haar zachtheid niet roemen.

 

Y dat is Ysland ,
Waar Eskimo’s wonen ,
‘k Zal je er een paar
In hun dierenhuid toonen.

 

Z is de zon , die zoo
weldoend kan schijnen,
Dat door haar in-
vloed veel zieken verdwijnen.

 

Boeken pagina   

 MM&BB