PIEPKUIKENTJE

wou de Wereld in.

 

Uitgave van C. A. J. van Dishoeck te Bussum

Door

ALFRED WECZERZICK

Versjes van Mevrouw E. Dopheide ~ Witte

(Tante Lize).

1927

Piepkuikentje, die kleine guit,

Pikt ’t eitje stuk en stapt er uit

Daar staat het nu geheel alleen

En kijkt verwonderd om zich heen.

 

Het rilt van kou en piept heel zacht,

De moeder kloek houdt trouw de wacht,

Zij warmt haar kuikenkindje fijn

En wijst het waar de graantjes zijn.

Wat groeit het flink tot moeders lust,

Maar eensklaps wordt het ongerust.

Piepkuiken wil de wereld in,

De ren is niet meer naar zijn zin.

 

Het steekt zijn kopje door het hek,

Toen ’t lijfje. Maar wat is dat gek !

In ’t gras ziet het een sprinkhaan staan,

En durft van schrik niet verder gaan.

 

Daar vliegen vlinders, bijtjes rond,

Piepkuiken staart met open mond ;

Verbaasd ziet het die dingen zweven . . .

Ze schijnen, net als hij, te leven.

 

,,Daarvan heeft moeder niets verteld . . .

Wat doen die kuikens ?. . . ‘k sta versteld . . .”

,,Ja, als jij maar een eendje was,

Kon je ook gaan zwemmen in den plas.”

Een groote kraai, zoo zwart als roet,

Vliegt van een boom – nu wordt het goed !

,,Die eet mij op met huid en haar . . .

Och, was ik nu bij moeder maar!”

 

,,Waf, waf ”, blaft Hek, ,,ik help je, hoor!”

De groote kraai gaat er van door;

Dan moppert Hek : ,,En nu heel vlug,

Piepkuiken, naar je huis terug!”

 

,,Je bent zoo dom nog en zoo klein,

Wat zal je moeder angstig zijn!

De poes loert ook al op je, zeg,

Wees maar niet bang, ik jaag haar weg!”

 

,,O, o, wat heb ik toch gedaan !

Ik zal maar gauw naar huis toe gaan.

De lucht wordt zwart, wat vreeslijk weer,

De regen valt bij stralen neer!”

 

 

Drijfnat en koud, van angst half dood

Komt kuiken thuis in gooten nood,

Maar moeder hen neemt ’t heel den nacht

Onder haar vleugels warm en zacht.

 

 

En in den nieuwen morgenstond

Is het weer vroolijk en gezond,

’t Voelt zalig zich in moeders kluis.

,,Nooit ga ik meer alleen van huis!”

~

 

Einde

~