De VARKENSHOEDER

Sprookje van

HANS ANDERSEN

Vry bewerkt door

Tante lize

Illustraties Einar Nermen

Amsterdam van holkema en warendorf

Rijmvertelling 1923

 

Er leefde in lang vervlogen tijd
Een jonge koningszoon ;
Zijn rijk was klein, maar onze prins
Was goed, geleerd en schoon.

Hij was beroemd heel ver in’t rond,
En menig vorstenkind
Was hem, den fieren, eed’len vorst,
In stilte welgezind.

Maar toen de prins aan trouwen dacht,
(Geef hem eens ongelijk !)
Vroeg hij de hand van een prinses
Uit ’n heel groot Keizerrijk.

 ’t Was wel wat boud, maar de prinses
Zag er zoo lieflijk uit ;
,,Haar”, dacht hij, ,,wil ik, haar alleen,
,,Geen and’re wordt mijn bruid !”

Op ’t graf zijns vaders stond in bloei
Een wonder-rozeboom,
Hij droeg slechts eens om de vijf jaar
E้n roos, schoon als een droom.

Die roos, wier liefelijke geur
Een vreemde kracht bezat,
Joeg alle zorgen ver van hem,
Die haar geroken had.

Ook had de prins een nachtegaal,
Wiens heerlijk, rein geluid,
Weerklonk zoo wonderbaar en zoet
Als waar ’t een tooverfluit.

Deez’ schatten zond, met zorg verpakt
In ’t edelste metaal,
De prins zijn uitverkoorne toe,
En hoopte een goed onthaal.

 

De keizer zelf ontving den stoet,
Die de geschenken bracht,
Zij schreden naar een groote zaal,
Die schitterde van pracht.

Daar speelde het vorstinnetje
Met hare dames-schaar
En juichte, toen zij van den prins
De boden werd gewaar.

,,Wat zou er in die kistjes zijn ?”
Zoo vroeg ze, ,,laat ons zien !
,,’k Ben heel nieuwsgierig, wat het is ;
,,Een kleine poes misschien ?”

Men opende de grootste kist,
Daar lag de schoone roos ;
’t Prinsesje keek en keek ernaar,
En zweeg een heele poos.

Toen riep ze : ,,Waarlijk allerliefst,
,,Die is heel mooi gemaakt !”
De dames lispelden haar na,
E้n bode sprak geraakt :

,,Prinses, dat is een echte roos
,,Geen schooner bloeit er op aard !”
,,Bah !” zei de jonge dame kwaad,
,,Dan is ze mij niets waard !”

Toen toonde men den nachtegaal,
Hij kweelde een heerlijk lied,
De dames riepen : ,,hoe charmant !
,,Superbe ! vindt U niet ?”

’t Prinsesje knikte : ,,O, hoe mooi !
,,Zijn stem, niet waar Papa,
,,Herinnert de oude speeldoos mij
,,Van zaalge Grootmama !”

 

En allen waren diep geroerd,
’t Was prachtig, keurig, fijn,
Die vogel kon onmogelijk
Een echte vogel zijn.

Maar d’oudste bode zei : ,,Prinses,
,,Geen vogel van metaal,
Geen menschenwerk zendt U mijn Heer,
,,Maar ’n echten nachtegaal !”

Toen riepen allen ach en wee !
’t Prinsesje snikte luid
En kreet : ,,Laat vliegen ’t domme dier,
,,Jaag hem het venster uit !”

De boden keerden tot den prins
Met deze boodschap weer ;
,,Dat zal ik wreken !” riep hij woest,
,,Dat zweer ik op mijn eer !”

Hij wreef gezicht en handen in,
Trok oude kleeren aan
En ging naar ’t keizerlijk paleis,
Van alle pracht ontdaan.

,,Dag, Keizer,” zei hij, ,,kan ik soms
,,In uwen dienst hier tr๊en ?”
De hooge heer keek hem eens aan
En schudde toen : ,,neen – neen !”

Maar hij bedacht zich en hij sprak :
,,Wacht nog eens even, man,
,,Ik zoek een knaap, die trouw en goed
,,De varkens hoeden kan.”

,,Maar, Heer, dat kan ik !” riep de prins
,,Goed, blijf dan daadlijk hier !”
,,Heb dank, o, Keizer !” zei hij blij,
,,Waar vind ik mijn kwartier ?”

 

Een dienaar wees hem op bevel
Bij ’t groote varkenskot
Een heel armoedig kamertje,
Voorwaar geen prettig lot !

Daar moest hij wonen, maar,
naar het scheen,
Gaf hij daarom geen zier,
Hij werkte vlijtig heel den dag
En zong steeds van pleizier.

Hij werkte vroeg, hij werkte laat,
(Wat of hij toch wel deed ?)
En reeds den tweeden avond was
Zijn kunstgewrocht gereed.

Het was een aardig pannetje,
’t Was allerleukst bedacht,
Rondom had zilveren schelletjes
Hij keurig aangebracht.

Als ’t potje kookte, speelden zij,
’t Is waar, wat ik je zeg,
Heel zacht : ,,Ach, lieve, Augustijn,
,,Alles is weg, weg, weg !”

En ’t mooiste was, als m’in den damp,
Die uit het potje steeg,
Den vinger hield, dan wist men juist,
Wat elk te smullen kreeg.

Dan wist men, wat in heel de stad
Bij heer en boer en knecht
Op tafel kwam, niets, niets ontbrak,
Geen schotel, geen gerecht !

Dat was wat anders dan een roos ;
’t Prinsesje kwam voorbij ;
De dames volgden naar heur rang
En stand haar in de rij.

Daar hoorden ze de melodie :
,,Ach, lieve Augustijn,”
,,Dat speel ik ook op mijn klavier !”
Zoo riep ze heel, heel bij.

,,Die varkenshoeder is gewis
,,Een zeer ontwikkeld man ;
,,Gaat, vraagt hem, of ik ’t instrument,
,,Ook van hem koopen kan.”

De dames trokken klompjes aan,
En spoedden zich naar ’t kot,
Waar onze varkenshoeder zat
Bij zijnen wonderpot.

 

,,Hoeveel verlangt gij voor dien pot ?”
Vroeg met gemaakte stem
En met een opgetrokken neus
Een hoofsche dame hem.

,,Verkoopen doe ik ’t potje niet,
,,Maar als zij ’t gaarne heeft,
,,Kan de prinses het krijgen . . . als
,,Ze mij tien kussen geeft.”

,,De Heer bewaar ons !” riep ze bleek
Van schrik en ijlings vloog
Terug ze naar haar meesteres,
Als ’n pijltjen uit den boog.

,,Nu, en wat zei hij ? haast U toch !”. . .
-,,O, neen, ’t was al te boud !
,,Ik durf niet !” . . .,,Fluister het dan maar ! . . .
,,Foei !” sprak zij : ,,dat is stout !”

Maar zachtjes klonk de melodie
Weer : ,,ach, lieve Augustijn.”
,,Vraag hem of van mijn dames hij
,,Gekust zou willen zijn !”

De varkenshoeder lachte fijn
En zei met lichten spot :
,,Tien kussen geeft mij de prinses,
,,Of ik behoud mijn pot.”

,,Dan maar vooruit !” riep de prinses,
,,Al is ’t een dom geval,
,,Breidt allen dan Uw kleeren uit,
,,’t Is eigenlijk te mal !”

Den varkenshoeder gaf zij toen,
De kussen, alle tien,
Zij kreeg den pot en riep verheugd :
,,Geen mensch heeft het gezien !”

 

Ze stonden lachend er om heen,
Prinses hield telkens weer
Heur fijne vingers in den damp
En juichte keer op keer :

,,Wij weten, wie er flensjes krijgt
,,En soep en zoete gort.
,,Wij weten, wat bij iedereen
,,Vandaag gegeten wordt !”

O, o, dat was een heerlijkheid ;
Wat hadden zij een pret !
Het potje werd den heelen dag
Te koken neer gezet.

,,Maar, zegt nooit, met geen enkel woord,
,,Hoe ‘k aan dit kunstwerk kwam,
,,Mijn vader joeg mij uit zijn rijk,
,,Als hij het ooit vernam !”

De varkenshoeder ging opnieuw
Vol ijver aan den slag,
En maakte een ander instrument
Nog op denzelfden dag.

Een wonderlijke ratel was ‘t,
Een kunststuk, ongehoord,
Als men hem draaide, flink in ’t rond,
Dan speelde hij maar voort.

Geen wals, geen polka, step of marsch,
Die hij niet hooren liet,
Je moest wel aan het dansen gaan,
Al wilde je ’t ook niet.

Toen de prinses weer wand’len ging,
Bleef zij verwonderd staan,
,,Wat had die knaap nu weer gemaakt ?”
Ze kon niet verder gaan.

 

De varkenshoeder zag haar staan
En ratelde maar door,
De mooiste deuntjes speelde hij
De schoone dames voor.

,,Het is superbe ! vindt ge niet ?”
Riep de prinses, en toen :
,,Vraag, wat hij er voor hebben moet,
,,Maar ‘k geef hem vast geen zoen !”

Prins Varkenshoeder lachte, toen
De vraag hem werd gesteld
En sprak : ,,het ding is niet te koop,
,,Voor goed niet, noch voor geld.

,,Maar als ik honderd kussen krijg
,,Van de edele prinses,
,,Dan is het rateltje van haar,
,,Zeg dat Uw meesteres.”

,,Die knaap is gek !” riep ze, heel boos,
,,Hoe haalt hij ’t in zijn bol ?
,,Ik ben een keizersdochter ! neen,
,,Hij is, geloof ik, dol !”

Maar kunst vraagt om belooning toch,
,,Wacht ! Ja, zoo is het best,
,,Ik geef als gist’ren hem er tien,
,,En gij verdeelt de rest.”

,,Nu, goed, maar graag doen wij het niet,”
Sprak ้้n der dames toen,
,,Kom, kom, als ik hem kus, dan kunt
,,Gij ’t zeker ook wel doen.

,,Ik geef jelui toch kost en loon,
,,Vooruit en treuzelt niet !
,,Loopt spoedig naar dien vreemden knaap
,,En zegt, wat ik hem bied.”

 

 

De keizer stond op zijn balkon
En keek dien kant eens uit.
,,Wat of die oploop in de vert”
,,Bij ’t varkenskot beduidt ?”

,,De dames van mijn dochter zijn ‘t,
,,Wat drijven zij voor spel ?”
Hij trok vlug zijn pantoffels op
En liep er heen, heel snel.

Wat zag zijn oog bij ’t varenshok ?
O, schouwspel, ongehoord !
Keek hij wel goed of was misschien
Zijn brein ietwat gestoord ?

De varkenshoeder in den kring,
Zijn eenig kind er bij
Hem kussend - ,,O, ik word nog gek !”
Zoo kreet en kreunde hij.

De dames telden ernstig voort,
’t Was tachtig al en ้้n,
Daar riep de keizer : ,,Weg met U !
,,Voort ! Pakt U weg meteen !”

,,Gij snoode varkenshoeder, ga !
,,Ga, dochter, zoo ontaard.”
Hij zwaaide woest zijn keizersstaf,
Mee zwaaide woest zijn staart.

 

Daar waren zij nu allebei
Uit ’s keizers rijk gejaagd,
De knappe varkenshoeder en
De dwaze, jonge maagd.

’t Prinsesje weende, o, zoo droef,
Staag viel de regen neer ;
,,Och !” kreet ze, ,,had ik toch mijn prins,
,,Dien ik versmaadde, weer !”

Nu wiesch de varkenshoeder snel
Zijn handen en gelaat,
En stak zich in een ommezien
In ’t prinselijk gewaad.

Toen trad hij voor haar en hij sprak :
,,De prins is U nabij,
,,Maar nu begeer ik U niet meer.”
En boos vervolgde hij :

,,Eens gaf ik U mijn schoonste goed,
,,Maar ’t werd door U versmaad,
,,Daar gij van roos noch nachtegaal,
,,De heerlijkheid verstaat.

,,Den varkenshoeder kustet gij
,,Voor een armzalig ding,
,,Gij hebt verdiend, schoone prinses,
,,Dat het U z๓๓ verging.”

Toen boog hij diep en stapte fier
Weer naar zijn eigen land.
Hij sloot de poort, den grendel schoof
Hij voor met vaste hand.

En zij ? zij bleef er buiten staan.
Droef leunend aan een heg
Zong ze : ,,Ach mijn lieve Augustijn
,,Nu is hij weg, weg, weg !”

 

MM&BB