KLEIN KLEUTERTJE

De Vriend der Dieren

Teekeningen van Hedwig Thoma

Versjes van E. Dopheide - Witte

Uitgave van C.A.J. van Dishoeck te Bussum

1927

KLEUTERTJE.

KLEUTERTJE EN DE SPRINKHAAN.

KLEUTERTJE EN PAD.

KLEUTERTJE EN SCHILDPAD.

KLEUTERTJE EN DE MEIKEVERS.

KLEUTERTJE EN DE WONDERVISCH.

KLEUTERTJE EN DE MARMOTJES.

KLEUTERTJE EN VLIEGEND HERT.

KLEUTERTJES BIJ DEN VIJVER.

KLEUTERTJE EN KROKODIL.

KLEUTERTJE EN KREEFT.

KLEUTERTJE EN DE SLANG.

KLEUTERTJE EN OLIFANT.

DRIE ZWARTE KLEUTERTJES EN VOGEL STRUIS.

KLEUTERTJE EN NIJLPAARD.

DE KLEUTERTJES EN DE UIL.

_____________________________________________

KLEIN KLEUTERTJE

Klein Kleutertje, het menschenkindje

Met zo'n mooi zieltje, blank en fijn

Leeft nog in 't Paradijs, waar menschen

En Dieren goede vrienden zijn.

 

Geen enkel dier zal 't kindje kwaad doen

En als het sluimert komen vrij

De kleine, schuwe, witte muisjes

In vol vertrouwen naderbij.

 

 

 

 

 

KLEUTERTJE EN SPRINKHAAN

Mijn mooie, groene paartje,

Spring hoog en rijd gezwind,

Je lieve, kleine ruiter

Is n aardig hemelkind.

 

Het heeft twee witte vleugels

Gemaakt van nevelschuim,

Het leidt je zonder teugels

Door t wijde wolkenruim!

KLEUTERTJE EN PAD

,,Hola, lieve kleuter, zeg,

Waarom vlucht je voor mij weg?

k Ben een doodgewone pad,

Doe geen kwaad je, kleine schat!

 

k Heb geen klauw, k spuw geen venijn

Waarom zou je bang dan zijn?

Kom gerust beneden, hoor . . . .

Ik ga er vlug er weer vandoor.

 

KLEUTERTJE EN SCHILDPAD

Waarom huil je, kindekijn?

,,Och, t is om den zonneschijn,

Had k een hemdje, had k een hoed,

Dan was k heel gauw stil en zoet.

 

,,Had je maar een schaal als wij . . . .

O . . . . dan was je zeker blij,

Want van regen, zon en wind 

Hebben wij geen last, lief kind!"

KLEUTERTJE EN DE MEIKEVERS

O lieve, kleine kleuter,

Wat is dat voor verdriet?

Die mooie, bruine kevers

Deren het kindje niet.

 

Als zij morgen vroeg vliegen

In gouden zonneschijn,

Dan brommen zij een liedje

Voor jou, mijn kindekijn!

 

KLEUTERTJE EN DE WONDERVISCH

Een groote, bonte wondervisch

Uit t verre zonneland

Zag n kleine kleuter spelen

Op t wijde, witte strand.

 

Hij riep: ,,mijn aardig kindje,

Zeg, wil je met mij mee?

Dan laat ik je mijn schatten zien,

De schatten van de zee!"

KLEUTERTJE EN DE MARMOTJES

O, lieve marmotjes,

Zoo leuk en potsierlijk,

Hoe zacht is je huidje,

Wat zijn jullie sierlijk!

 

Komt eventjes hier, toe,

Je kunt het best wagen,

Ik zou een van jullie 

Zoo graag . . . . even dragen!

 

 

 KLEUTERTJE EN VLIEGEND HERT

 ,,Je wilt me toch niet bijten, zeg,

Jij, met je groote tangen?

,, Wel neen, mijn aardig kleutertje

Of wil je me soms vangen?

 

Ik houd van licht en zonneschijn,

Wil je mijn vriendje wezen,

Laat me dan vliegen vrij en blij

En . . . . je hebt niets te vreezen!

KLEUTERTJE BIJ DEN VIJVER

Vischjes, die zoo vroolijk dartelt,

Vischjes, die zoo lustig spartelt,

Met je schubbetjes zoo fijn

Glinstrend in den sterrenschijn,

 

Mochten we maar met je spelen

En heel eventjes je streelen,

Maar . . . . lief moedertje op ons wacht . . . .

Daarom vischjes, goeden nacht!

 

KLEUTERTJE EN DE KROKODIL

Vraatzuchtig is de krokodil

En heel niet te vertrouwen,

Wie dicht in zijn nabijheid komt,

Zou t zeker zeer berouwen.

 

Maar t lieve, kleine kleutertje

Durft zich wel bij hem wagen . . . .

Hij heeft het op zijn schubbenrug

Een poos rond gedragen.

KLEUTERTJE EN DE KREEFT

,, Nu zit je goed, hoor, kleine man,

Zoo zegt de kreeft gewichtig,

,, Ik wandel altijd achteruit

En ben dus heel voorzichtig.

 

Als jij nu op wilt letten,

En roepen in gevaar,

Dan ben je mij een vriendje,

Dan helpen wij elkaar.

 

KLEUTERTJE EN DE SLANG

Verzadigd ligt de groote slang

Op t dorre, heete gras,

Ze ligt zoo roerloos en zoo stil

Of ze gestorven was.

 

De lieve, kleine kleutertjes

Gaan tot haar onbevreesd,

En kiezen een koel zitje zich

Op t luie, loome beest.

KLEUTERTJE EN OLIFANT

,, Wil je mijn appel hebben,

Zeg, groote gulzigaard?

Geduld, meneer, je krijg hem,

Maar houd je eerst bedaard!

 

Ik wil er ook van proeven

En hap er even in,

De rest is dan voor jou, hoor!

Zeg, is dat naar je zin?

 

DRIE ZWARTE KLEUTERTJES EN

VOGEL STRUIS

 

Drie zwarte kleuters rijden

In t verre Moorenland,

Blij op den rug van Vogel Struis,

Door t mulle, witte zand.

 

Ze zitten er zoo heerlijk,

Ze zitten er zoo fijn,

O, wat een wondermooie rit

Zoo in den maneschijn!

 

 

KLEUTERTJE EN NIJLPAARD

,, Wat jij me bloempjes geven,

Mijn lieve kleuter klein? __

Maar weet je wel, dat bloempje

Niets voor een nijlpaard zijn?

 

Geef mij een roggebroodje,

Of n bosje geurig hooi,

Daar doe je mij plezier mee.

Dat vindt een nijlpaard mooi!

 

 

DE KLEUTERTJES EN DE UIL

Uiltje wat zet je toch n droevig gezicht,

Uiltje, waarom ben je bang voor het licht?

Zeg ons, waarom je geen zon kunt verdragen,

Zeg ons, waarom je zoo droevig moet klagen?

 

Nooit zing j als andere vogels een lied,

Uiltje, zeg, heb jij dan altijd verdriet . . . . ?

Uiltje, we worden het vragen nu moe,

Nacht! hoor, we gaan naar ons beddeke toe!