Het Dwergjes Feest

DOOR

ALFRED LISTAL

Alkmaar. Gebr. Kluitman

Eerste druk ...

Het Dwergjesfeest.

Wanneer de lieve Zomer komt
En alles geurt daar buiten,
Op ied're bloem een bijtje bromt
En alle vinkjes fluiten,
Dan vieren de vroolijke dwergjes feest
Tusschen de groene blaadjes,
Ze zijn heel den winter stil geweest,
Nu dansen en eten ze om het meest,
Met al hun kameraadjes.

 

 

De Uitnoodiging.

Hun schrijfstertje, - ze kan 't zoo net!-
Moet alle vrindjes tellen
Die kunnen komen op de pret;
De inktpot wordt al klaargezet;
Papier - wel honderd vellen!

Zij schrijft: ,,Mevrouw," of wel: ,,Mijnheer,
,,De gouden-regen bloeit alweer,
,,En 't dwerg-dorp laat-U weten
,,Dat U genood wordt, lieve buur,
,,Vandaag-'n-week om zeven uur
,,In 't Bosch te komen eten."

Dicht d' envelop,
- 't adres er op,
Daar gaan ze al, de boden,
Elk naar een kant, door 't heele land
Om iedereen te nooden.

 

 

Waaie-waaie-woeiewiet, - Flipje is een deugniet !

Maar Flip, het Windje,
zeg, die rakker
Werd juist in 't boschje wakker.
Hij fluit en rolt wat in de wei
Zijn wiekjes trillen bei,
Zoo blij,
Zijn wiekjes trillen bei!

Hij kent de dwergjes aan hun stapje,
En denkt : ,,Ik weet 'n grapje!"
De zomer zit hem in z'n bol ;
Hij huppelt als 'n tol
Zoo dol,
Hij huppelt als 'n tol!

Hij trekt de brieven uit hun hand
En blaast ze over 't land!
Ja, over slooten, huis en haag, -
Zoo doet het Windje graag,
Die plaag,
Zoo doet het Windje graag!

Tik-tik ! Wie is daar ?
Tik-tik-tik !
Doe open ! de brievenpost ben ik.

Zoo'n postje heeft geen makk'lijk vak !
't Adres is goed te lezen :
,,Aan jonker Spar van Dennetak,"-
Daar bij dat hooge ronde dak,
Daar moet de brief heel wezen !

Maar 't Kevertje moet verderop,
Hij heeft heel hard geloopen.
,,Woont hier Baron van Eikeldop ?"
De heer van 't huis, op 't luid geklop,
Doet zelf zijn deurtje open.

 

 

 

De booze Koningin.

De Koningin van Bijen-stad
Is niet heel goed te spreken ;
Zij roept van woede : ,,Nee-maar, dat
,,Heb 'k nooit nog bij de hand gehad !
,,Heb ik wel goed gekeken ?
,,Ik las 't toch goed, wat schrijf die dwerg :
,,Het zijn uw kindren die ik noodig . . .
,,Ben ik dan overbodig ? . . .
,,Jij postman, zeg je dwerge-meesters :
,,Mijn kroost hoort niet bij zulke feesters,
,,Zoo'n volk dat geen manieren kent ! . . .
,,En durft een koningin te honen ! . . .
,,Pas op, of 'k zal m'n angel toonen, -
,,Ga heen, jou boefje die je bent !"

Mevrouw Kapel ontvangt hier elk Al even vriend'lijk in haar kelk : ,,Wel postman, zeker goed bericht !"
Dat ziet ze aan dwergje's blij gezicht.

 

 

Wie maken van het feest 't begin ?
Het Kokje en zijn vrouw Kokkin.
Nu moest de ham in honderd plakken,
Maar 't is een dikkerd, hoor, geen nood,
En malsch ! - wie zou er niet naar snakken,
Met versche boter op je brood !

Het kokje zet zijn mes in 't stuk,
Hij zal de gastjes laten smullen !
Al is 't nog vroeg, hij heeft het druk,
En in de war zijn al zijn krullen.

't Koks-maatje moet de jam bereiden,
En 't brood dat zal 't koksvrouwtje snijden,
Niet te dun en niet te dik,
Zij weet het op 'n prik !

Al is 't nog in den morgen vroeg-
De pakker heeft bijna geen tijd genoeg !

Nee, wat moet 'r al in die mand !
Wie het ziet die watertandt, -
Alles dragen ze aan de guitjes,
Ham en kaas, jam en beschuitjes,

Suiker, pudding, ananas,
Versche melk voor elk een glas -
'k Wou dat 'k k bij 't feestje was !

En die eene kleine rakker Zeg, dat is me eerst een pakker, Alles krijgt-i in n mand ! Aanstonds zijn de gasten wakker, 't Wordt vandaag : luilekkerland ! Wees maar bij de hand !

 

 

De haan heeft gekraaid, de feestdag begint,
Heen rijdt de wagen als de wind . . .
Maar gauw is 't: ,,stop !" - wamt je moet weten :
Ze hadden de ketel vergeten.

Het bedelaartje in 't bond.

Wat ritselt daar in 't groen ?
Het is een bedelaartje,
Maar met een prachtig staartje ; -
Wat zou die komen doen ?
Wat wipt daar naar den grond ?
Het is een klein, klein diefje,
Gekleed in 't fijnste bond, -
Wel roovertje, wat bief-je ?

't Eekhorentje zegt : ,,Ach,
maar een paar nootjes ! . . .
,,Hou zelf maar die jam en je krentenbroodjes."

 

 

De gulzige broertjes.

Twee kleuter-dwergjes van het feest
Heel onvoorzichtig weggeloopen
Waren parmantig met z'n twee
Een molshoop opgekropen.
Daar zitten ze met een beker melk elk
Vol zoete chocolade-melk ;
Een pudding hebben ze zonder te vragen
Zoo maar stilletjes meegedragen, -
Want als je 't die gulzige jongens vroeg,
Heeft d' een nooit te veel en z'n broer nooit genoeg !

Maar o ! daar komt een groote mol
Zwart van 't graven uit zijn hol !
,,Wel ja dat zit op z'n gemak
,,Maar boven op mijn dak !
,,Gaf ik je ooit verlof, gespuis,
,,Te zitten schransen op mijn huis ?". . .

- De dwergjes loopen ! 't was uit met de schrik,
En de pudding lieten ze staan van schrik !

Ach, overal kan je 't hooren :
Daar is een kindje verloren !

Weet je 't al wat er is gebeurd ?
Daar is een kindje verloren, -
En iedereen had het nog gezien
Nog even, even te voren ! . . .

Waar toch dat arme ventje zit ?
Ze zoeken in holle boomen
En onder elke paddestoel . . .
Als 't maar terecht zal komen ! . . .

 

 

 

De mol hoort van het ongeval,
Daar moet zijn boosheid wel voor wijken, -
Nu wil hij zelf ook overal
Hoog van zijn huis rond kijken.

Gevonden

Daar is 't ! daar ligt 't ! dr op den grond :
Hij slaapt, een duimpje in z'n mond, -
Wat ligt het er veilig en op z'n gemak !
Een paddestoeltje is zijn dak.

Een muisje met z'n grijze vacht,
Dat is zijn kussentje, warm en zacht ;
Als kameraadjes, heel dicht zij aan zij
Slapen ze zoetjes allebei.

 

 

Hoe kan dat ? . . . onder 't droomen
Zijn ze veilig thuis gekomen . . .

En als het eindelijk avond wordt
Dan vinden ze 't dagje wel veel te kort, -
Maar toch zijn ze moe, met z'n allen,
Bij 't rijen in slaap gevallen . . .

Hoe kwamen ze dan wel thuis, - zal je vragen -
In hun mooie auto-wagen ?
Ik denk : een lieve
tooverfee, -
Liep, achter de boomen,
stilletjes mee . . .