HANSJE op REIS

 

door

E. Dopheide-Witte

1925

Tante Lize

C. A. J. van Dishoeck te Bussum

Uitgaven van  Van Dishoeck voor Kleuters:

________________________________________________________________________

HANSJE OP REIS.

Hansje was stilletjes weggeloopen! Hij wou zoo dolgraag wat van de wereld zien en allerlei avonturen beleven en hij dacht er niet aan, dat zijn vader en moeder en broers ongerust zouden worden, als hij zoo maar uitbleef.

 

Hansje woonde vlak bij den duinrand, Heelemaal aan het einde van een dorp, waarin een mooi kerkje stond en waar eenige vroolijke windmolens bij hoorden.

Hansje liep de duinen op en af, totdat hij bij de zee kwam. Hij keek naar het wijde, diepblauwe water en naar de golven met hun witte schuimkoppen en hij zag in de verte een groote stoomboot varen en een heele rij visschersschuiten met bruine zeilen voorbijglijden. Maar dat alles had Hansje al dikwijls gezien en hij verlangde naar iets nieuws.

Daar kwam een klein, grijs mannetje het duin afwandelen. Het was een van de zandmannetjes, die ’s nachts, als de kinderen slapen, bij hen komen, om hun allerlei mooie verhalen te vertellen.

Als ze dan s’morgens wakker worden zeggen ze tegen hun moeder: ,,Wat heb ik vannacht heerlijk gedroomd”.

 

 

 

 

 

Zie je, zoo’n zandmannetje was het.

Hansje herkende hem dadelijk. Hij stapte naar hem toe en zei: ,,Lieve, beste zandman, je hebt me zoo dikwijls mooie verhalen verteld, maar ik wou toch zoo heel graag zoo’n verhaal echt meemaken en niet droomen. Toe, wil je me daar niet eens mee helpen?”

,,Ja, hoe moeten we dat aanleggen?” vroeg het zandmannetje. ,,Je zoudt wel eens naar den zeebodem kunnen gaan, daar is van alles te zien, visschen en schelpen en zeemeerminnen. Ja, dat is wel mooi voor je. Daar kun je op je gemak rondkijken. Maar ik kan niet met je meegaan, want ik moet vanavond naar een ziek jongetje toe, om hem verhaaltjes te vertellen. Ik zal je een paar vischblazen geven, dan kun je onder water ademhalen. Ga maar rustig op het zand liggen en wacht tot de golven komen om je mee te nemen.”

Hansje ging dadelijk op het zand liggen en wachtte. Daar kwam spoedig en golfje aanrollen, dat riep: ..Kom”, maar ’t rolde weer terug. Even daarna kwam het weer, maar nu had het nog andere, veel grootere golven meegebracht, die allen riepen: ,,Kom, kom, kom!”

Toen voelde Hansje, dat hij zachtjes werd opgenomen en voortgedragen over de zee. En toen zonk hij hoe langer hoe dieper, totdat hij opeens op een zeester op den bodem van de zee zat. Hij was behouden in de diepte aangeland, maar zijn twee klompjes had hij onderweg verloren.

Hansje keek nieuwsgierig rond. Hoe prachtig was alles om hem heen. Het leek wel of hij in het paleis van de feëenkoningin was. Hij zag roode en blauwe boomen en overal bloeiden wonder-mooie bloemen, waarvan Hansje den naam niet wist. En de bloemen hadden armen, die ze bewogen en ze konden ook praten. Groote vischen zwommen om hem heen. Ze glinsterden als edelgesteente.

 

 

 

 

Het was net een sprookje.

Hansje zat een beetje angstig op zijn zeester, hij was niet heelemaal op zijn gemak in dat vreemde gezelschap, vooral omdat hij niets verstond van wat er gezegd werd.

Daar kwam een groote platte visch aangezwommen. Hij had een goedig breed gezicht en een paar kleine kraaloogen en hij lachte vriendelijk. ,,Wil je hier zoo graag eens rondkijken kleine man ?” vroeg hij Hansje. ,,Nu, ga dan maar op mijn rug zitten. Ik zal je door het water dragen.”

Blij klom Hansje op de visch en nu begon de reis. De visch zwom heel langzaam, zoodat Hansje alles beter kon opmerken. Ze gleden langs hooge klippen en kwamen eindelijk in het koraalbosch. De koralen zongen met luidklinkende stemmen, het ;eken wel orgeltonen. Toen kwamen ze een kleine ridder tegen. Hij zag er als speelgoed uit op zijn prachtig opgetuigd zeepaardje.

,,Wie is dat?” vroeg Hansje verwonderd.

,,Dat is een dappere ridder uit de Noord-zee, hij gaat naar den tweestrijd!”

,,O, een tweestrijd! Wat zou ik daar graag heengaan!” riep Hansje. ,,Maar daar krijg je zoo maar geen toegang. Eerst moet je voorgesteld worden aan onze prinses en buitendien, je bent veel te groot; je moet eerst zoo klein zijn als die ridder.”

,,Hoe zou ik zoo klein kunnen worden?” vroeg Hansje.

,,We zullen den vierhoorn om raad vragen”, zei de goede visch en hij zwom er heen.

Ze gingen over groote velden met zeewier, waar prachtige, rooskleurige schelpen lagen en waar purperen boomen stonden, met vruchten, die glinsterden als glasballen aan den kerstboom.

Eindelijk waren ze bij den vierhoorn.

Dat is een heel verstandige visch met een reuzegroote kop. Hij wist dadelijk, wat er gedaan moest worden om Hansje klein te maken. Hij haalde een groote schelp te voorschijn, die met een bijzondere vloeistof gevuld was. Daar moest Hansje zich een paar maal indompelen en opeens was hij niet grooter dan een vinger.

 Nu leek hem alles plotseling reusachtig, de vierhoorn en de platte visch en alle schelpen en Hansje wist niet hoe hij het had. Maar de vriendelijke visch zwom dadelijk verder met hem naar de prinses en Hansje verheugde zich, dat hij haar zien mocht. Want hij kende prinsessen alleen van plaatjes. Dan waren ze heel mooi en hadden goudblond haar en blauwe ogen.

De visch zwom tot het slotpark, toen moest Hansje verder lopen.

De paden waren met schitterend witte schelpen ingelegd, het was of ze van marmer waren. Ook de bloemen waren wit en de boomen zagen er uit, zooals bij ons als het ’s winters heeft gesneeuwd of als ze rijp bedekt zijn.

Toen kwam hij aan het slot. Wat was dat prachtig, nog mooier dan de Dom van Milaan, die Hans wel eens op een prentkaart had gezien. Zoo iets heerlijks had hij zich niet kunnen voorstellen. En het slot leek wel van fijne Brusselsche kant

gemaakt, zooals het kraagje, dat zijn moeder droeg als zij ’s zondags naar de kerk ging, maar nog fijner. Hansje liep door vele prachtige zalen en kwam ten laatste in een lichte hal.

Aan het einde van de hal zag hij een open schelp en in die schelp zat het mooiste prinsesje, dat je je denken kunt. Aan iederen kant van haar troon stond een van haar ministers; de minister van oorlog met een grimmig gezicht en de minister van financiën, die in zijn vrijen tijd ook hofnar moest zijn en daarom droeg hij soort narrenkap op zijn hoofd. Verder had de prinses geen ministers noodig, alles ging vanzelf.

 

 

 

Het prinsesje was erg blij toen ze Hansje zag, omdat ze nu eindelijk een vriendje had, waar ze mee kon spelen. Hansje was dadelijk bereid om met haar naar het strijdperk te rijden.

De prinses bestelde haar gouden schelpkoets en toen ging het door de blauwe golven naar de kampplaats. Het prinsesje was dien dat juist jarig en daarom was alles bijzonder feestelijk en plechtig.

Van alle schelpen burchten van de zee waren de ridders met hun bonte helmen en met hun spitse lansen op hun zeepaardjes gekomen. Ze reden twee aan twee de kampplaats op en vielen elkaar dadelijk aan. Wie zij tegenstander van zijn paard wierp was overwinnaar en dan klapte de prinses in de handen, en begonnen de paardjes van vreugde te springen. Het was heerlijk en Hansje had de grootste pret.

De prinses was erg in haar schrik en iederen dag gaf ze prachtige feesten.

 

 

  

Op een keer zei ze: ,,Hansje je moet altijd, altijd bij mij blijven en met mij spelen en dansen en vroolijk zijn.”

Toen schrok de kleine jongen en hij kreeg opeens heimwee. Hij herinnerde zich zijn ouders en broers en hij wilde naar huis terug.

Toen werd de prinses boos en zei: ,,Je bent ondankbaar, Hansje. Voor jou heb ik al die mooie feesten gegeven en nu wil je weg, terug naar je vervelende visschersdorp. Ik zal mijn kwallen op je af sturen, die houden je vast, ik zal zorgen, dat je niet wegkomt!”

Toen sloeg ze de deur hard dicht, als een onbeleefd kind en liep het slot in.

 

 

 

Hansje wist niet, wat hij moest beginnen. Maar het was avond en hij kroop in een schelp om te gaan slapen. Hij huilde totdat hij in slaap viel, want hij verlangde nu heel erg naar zijn huis.

’s Nachts kwamen de kwallen. Ze wilden ons arme Hansje vangen en vasthouden

Toen vluchtte hij en liep zoo hard hij kon, ver over de zeewiervelden en door koralen bosschen, tot hij geheel buiten adem was.

Daar zag hij een wegwijzer, waarop stond:

,,Naar de Wijzen van de zee”.

Wel, dacht Hansje, daar ga ik heen, die zijn zeker heel knap en als ik hen er heel vriendelijk om vraag, zullen ze me wel zeggen, hoe ik weer thuis kan komen.

 

 

 

De Wijzen van de zee waren heel oud, ze hadden lang of ruig, borstelig haar en zagen er grimmig en boos uit. Maar ze waren er verstandig en begonnen dadelijk te overleggen, hoe ze Hansje konden helpen. Spoedig waren ze het eens en zeiden, dat de kleine jongen door de vliegende visschen naar den zeespiegel moest worden gebracht. Dan zou alles verder wel in orde komen. Hansje moest weer op een schelp gaan zitten, maar nu was ze niet van goud, zooals die van de prinses, maar heel gewoon en heel oud.

Zeven vliegende visschen werden er voor gespannen en zoo snel als de wind schoten ze met Hansje door de blauwe golven. Altijd hooger, en het werd steeds lichter om Hansje heen.

Spoedig kon hij de zon zien, en daar was hij ook al boven het water, en de wereld was zoo stralend licht, dat hij zijn oogen moest sluiten. Toen reed hij in de kleine schelp over de groote, groote zee.

Maar de visschen moesten weer naar huis, wenschten hem goede reis en keerden weer terug naar de diepte.

De boot, waarin Hansje zat, bestond uit één stuk hout en had geen mast, geen zeil en geen roer. Hansje moest zich laten drijven. Gelukkig keerde het schip en dreef langzaam naar de kust, en opeens zat het met een ruk vast op het zand.

De kleine jongen stapte er uit en wilde naar huis gaan. Daar stond plotseling weer een groote grijze man voor hem, met een roode paraplu onder de arm.

,,Wat ben je klein geworden, Hansje, “zei de zandman, want die was het.

 

 

 

Toen zag Hansje, dat hij nog altijd zoo klein was als een duim en dat het schip, waarin hij gezeten had, zijn eigen klomp was, die hij op weg naar de prinses, verloren had. Hansje werd erg bedroefd, omdat zijn lieve ouders hem zoo zeker niet herkennen zouden. Hij vroeg daarom: ,,Och, lieve zandman, maak me toch weer zoo groot als ik geweest ben, ik wil je heel graag al mijn speelgoed er voor geven.”

Maar de zandman wilde geen speelgoed hebben, hij was een oude man en had geen pleizier meer in zulke dingen. Maar Hansje moest alle avonden naar de duinen komen en hem mooie verhalen vertellen van de diepe zee, en de kleine prinses en de dappere ridders en alle wonderen, die hij gezien had. Dan wilde de zandman den kleine jongen weer groot maken.

En toen spande hij zijn roode paraplu uit, hield hem boven Hansje en één, twee drie, was hij weer precies zooals vroeger.

Hij beloofde den goeden zandman hem heel veel mooie verhalen te zullen vertellen en liep zoo hard hij kon naar huis.

Hij rende de duinen op en af tot zijn dorp en regelrecht in de armen van zijn moeder.

 

 

 

 Thuis waren allen even blij, dat Hansje weer terug was en hij moest telkens weer van zijn zee-avonturen vertellen.

 En nu is het verhaaltje uit. De zandman heeft het mij eens verteld, toen ik nog een heel klein kind was.  

Einde

***

Teekeningen van E. von Kager.

Elsa Beskow. HANSJE IN ’T BESSENLAND.

Groote Uitgave. Negende Druk.

HANSJE IN ’T BESSENLAND.

Kleine Uitgave. Elfde Druk.

Kees Valkenstein. DE KONINSPOES.

VOOR ONS KIND.

HET MOOISTE DIERENBOEK. 6e Druk.

VOOR DIERENVRIENDJES. 6e Druk.

H. Keerl~Thoma. HET NIEUWE DIERENBOEK.

Willy Planck. VERKEERS~PRENTENBOEK.

H. N. de Fremery. DIK EN KNUPPIE.

KABOUTERBOEK. 2e Druk.

E. Dopheide ~ Witte. HANSJE OP REIS.

Alfred Weczerzick. PIEPKUIKENTJE WOU DE WERELD IN.