hansje in het droomenland

door LISBETH BERGH

Versjes van JOHANNA WILDVANCK

Amsterdam * Scheltens & Giltay

   

Het was een keer heel vroeg in Mei
Dat Hansje wandlen wou,
Al langs een groene lentewei
Vol bloempjes rood en blauw.

Klein Hansje van die bloempjes nam
En schikt ze bijeen
En merkte niet, hoe langzaam kwam
Een nevel om hem heen.

Op eenmaal kijkt hij rond en ziet
Geen huis meer en geen boom ;
Geen zon en ook den hemel niet.
Hij denkt : ’t is net een droom !

Maar weldra wordt de mist zoo dik
Dat Hans niet meer kan gaan,
Hij staat dus stil en roept in schrik :
Hoe kom ik hier vandaan ?

   

Toen kwamen vroolijk aangestapt
Drie kindjes, wit gekleed.
Ze waren wonderlijk gekapt,
Met mutsjes blank en breed.

En aan die mutsjes breed en wit
Opzij van hun gezicht,
Een kleine, blanke vleugel zit.
Ze stappen vlug en licht.

Ze komen blij naar Hansje toe
En roepen : Ga je mee ?
Of ben je bang ? Of ben je moe ?
Ons Hansje zegt : welnee !

Toen neemt de mist ons Hansje op ;
En met de kindjes klein
Stijgt hij nu naar een wolkentop
Waar nog meer kindjes zijn.

   

Daar dansen zij nu o, zoo blij
Al om ons Hansje heen,
En zingen in een witte rij
Al om ons Hansje heen.

Hij steekt de handjes in zijn zak
En kijkt verwonderd toe.
Hij staat daar in zijn daagsche pak
En denkt : wat ik hier doe,

Dat weet ik zelf zoowaar nog niet.
Het is toch al te mal
Dat ik mij zoomaar vangen liet.
Is dit een elfenbal ?

Of zou ’t hier soms de hemel zijn ?
‘k Begrijp het zelf niet goed.
Die kindjes zijn zoo mooi en fijn
Dat ‘k van ze houwen moet.

   

En altijd kwamen er maar meer
Van al de wolken af.
Zóó lief en fijn, zóó klein en teer,
Dat Hans hun bloempjes gaf.

En van zijn bloempjes vlochten zij
Een langen slingerkrans,
En dansten voor ons Hansje blij
Een heelen mooien dans.

Ons Hansje danste met ze mee
Al op de wolken rond
En trok ze lachend naar beneê
Tot bijna bij den grond.

Toen dansten zij weer hooger op
En trokken Hansje mee
Naar weer een hooger wolkentop
Al zingend van hoezee.

   

Drie witte kindjes zeiden toen :
,,Kom mee, mijn beste Hans!”
,,Nu willen wij wat anders doen”
,,Dan dezen dollen dans”.

,,Zie je beneê die menschen wel ?”
,,Een meisjen en een vrouw ?”
,,Ik weet een héél erg prettig spel”,
,,Kom Hansje, kom nu gauw !”

,,Die gooien wij met wolkensap”
,,Dat soms ook regen heet”.
,,Kom, beste Hansje, mik nu knap !”
Ons kleine Hansje smeet

De blanke droppels naar beneê.
,,Het regent”, zei men daar.
,,De paraplu op ! Jeminee !”
,,Wat is dat aaklig naar !”

   

,,Nu weten wij een ander spel”.
,,Zie je die boomen staan ?”
,,Zie je die lange takken wel ?
,,Haal er daar vier vandaan”.”

,,Dan doen wij aan die takken vast”
,,Wat van dat wolkenwit”,
,,Waaraan, zooals dat wolken past”,
,,Een beetje zonlicht zit”.

,,Zie je die man daar, langs het riet ?”
,,Langs bloempjes blauw en rood ?”
,,Wanneer die man den weg niet ziet”
,,Dan rijdt hij in een sloot”.

,,De nevel is zoo schriklijk dicht”
,,Dat hij niet goed kan zien”.
,,Dus brengen wij wat zonnelicht”
,,En redden hem misschien”.

   

Toen gingen die drie kindjes heen
En lieten Hansje staan.
Maar niet heel lang bleef hij alleen :
Er kwamen andren aan.

,,Het heeft gevroren !” riepen zij,
,,De wolken zijn zóó glad !”
,,Ja”, zei ons Hansje : ,,Kijk, ik glij”
,,’t Lijkt wel een schaatsenpad !”

Toen deed hij of hij schaatsen ree,
De kindjes zagen ’t aan,
En deden eindlijk allen mee
Ze hadden ’t nooit gedaan.

Ze riepen ,,O, wat gaat dat snel !”
,,Waar gaan we nu naar toe ?”
,,Dit is het àllerprettigst spel !”
,,Dit worden wij niet moe !”

   

Zoo gleden zij, zoo reden zij
Tot bij het zonkasteel.
Daar waren bloempjes velerlei
Van rood en blauw en geel.

Ze maakten slingers en bouquet
En strooiden bloempjes rond
En buitelden van louter pret
Al op den wolkengrond.

Ze speelden paardje en sprongen touw,
En lachten dat het klonk.
Toen kwam een kleine, witte vrouw
Vanaf een pad dat blonk.

,,’t Is tijd, je moet nu slapen gaan”,
Riep zij de kindjes toe.
Die lachten : ,,’t Is nog niet gedaan !”
,,Wij zijn nog lang niet moe”.

   

Maar o, wat kwam daar van den kant
Waar ’t zonkasteel nog stond ?
Een man ; een bezem in de hand
Een horen aan den mond.

Hij blies de witte kindjes voort,
Ze stoven voor hem uit.
Ons Hansje had nog nooit gehoord
Zoo’n wonderhel geluid.

,,Met deze zonnehoren, Hans”
,,Verjaag ik ’t wolkengrauw”
,,En al die nare nevels. Thans”
,,Wordt héél de lucht weer blauw”.

Zoo sprak de man. Maar Hansje zei :
,,Dat is toch te mal !”
,,Hoe kom ik van die wolken af”
,,Zoo zonder dat ik val ?”

   

Toen bond hij vlug een slinger saam
Van bloempjes rood en blauw
En hing die uit een wolkenraam,
Het leek een bloementouw.

,,Dag kindjes wit, dag kindjes klein”
,,Ik moet hier nu vandaan”
,,Ik zal weer gauw bij moeder zijn”
,,Ik zie het huis al staan”.

,,En ook de bergen en het land”
,,En ook de bloemenwei”.
,,En ook den weg en waterkant”
,,En ook de boomenrij”.

,,Nu ga ik als een haas naar huis”
,,Gelukkig vóór den nacht”
,,Wie weet met hoeveel zorgen thuis”
,,Nu iedereen mij wacht !”

   

,,Ja, Hansje !” riepen uit de lucht
De kindjes klein en wit.
,,Ga gauw naar huis, waar met een zucht”
,,Je lieve moeder zit”.

,,Maar jok vooral niet, als je haar”
,,Van jou en ons verhaalt”
,,Dit alles was niet echt en waar :”
,,Je hebt in droom gedwaald”.

,,Het was een mooie droom alleen”
,,Word wakker en sta op !”
,,Wij gaan weer waar we hooren heen :”
,,Al naar een droomentop”.

Ze lachten en zongen luid
En lieten Hans alleen.
Ons Hansje rekte zich wat uit
En keek al om zich heen.

   

Jawel, daar zat ons Hansje dan
Zijn bloempjes lagen klaar.
Verwonderd keek de kleine man
Wat was dat alles raar !

Hij raapte vlug de bloempjes saam
En rende snel naar huis.
Daar zat zijn moeder aan het raam.
,,Zoo, kom jij eindlijk thuis ?”

,,En waar ben jij geweest ? Vertel !”
,,Ik was zoo vreeslijk bang !”
Nu gaf ons kleine Hansje snel
Een kusje op moeders wang.

Toen twee op moeders mond en toen
Drie kusjes op haar hand.
En zei : ,,Ik zal het nóóit weer doen :”
,,Maar ‘k was in Droomenland”.

 

MM&BB