DE INKTDUIVELTJES

Versjes van Tante Lise

Amsterdam . Van Holkema en Warendorf .

1908

 

___________________________________________________________________________________________________

DE INKTDUIVELTJES.

________________

________________

INLEIDING.

Vijf maal honderd duizend duivels sprongen eens de wereld in,
Allen zochten er een plaatsje naar hun aard en naar hun zin;
Ook in ied'ren inktpot huist een kleine duivel, zwart en nat,
Een baldadige kabouter, die het liefst maar morst en kladt.

Woensdag is het en de kinderen spelen blij, vol pret en jool,
Eenzaam, rustig en verlaten is in 't middaguur de school;

 

 

Maar met emmers, vegers, boenders komt daar plots een werkvrouw aan,
Haastig gaat zij aan den arbeid en 't is met de rust gedaan.

Banken, les'naars, bord en kaarten worden netjes schoongemaakt,
Ieder inktpot wrijft en stoft ze, 't lijkt wel of het haar vermaakt;
Negen zijn verbazend smerig; ,,wacht'' , zegt zij, ,,die zeep ik maar,
Vlug een lekker sopje maken, dan is 't zaakje spoedig klaar !''

 

 

___________________________________________

____________________________________________________________

___________________________________________

Plotseling komt uit elke pot,
Oolijk een kabouter gluren,
'n Drijfnat, blauwzwart mutsjen op,
Groeten zij elkaar als buren.
Ieder koker bergt er een,
'n Zwarten duivel, schelmsch en kleen,
En uit meester's koker groot,
Stijgt er één geheel in 't rood.

't Is de heer der kleine schaar;
,,Vrienden'' , zegt hij kalm en waardig,
,,Komt, verlaten wij dit oord,
Maken we ijlings ons reisvaardig !

 

Booze plannen heeft de vrouw,
Die daar henenliep zoo gauw,
Ze bereidt een zeepsopbad,
Gruwlijk heet en vet en nat.''

,,Aanstonds dompelt zij ons huis
Onder zonder mededoogen,
'k Voel het nare, warme vocht
Krieblen al in neus en oogen !
Brrr . . . ik haat zoo'n badpartij,
Jongens, komt, ontvlieden wij,
Laat ons ijlings henengaan,
Ik, uw meester, voer u aan !''

 

_______________________________________________________

Nu klimmen de duiveltjes, o zoo gauw
Op de vensterbank, en langs einden touw
Glijden zeven zachtjes van boven neer,
Geen komt er te vallen of doet zich zeer;
Maar, o wee, de dikke, die is te zwaar;
Het touw breekt af en met ijslijk misbaar
Komt hij terecht op het donzige gras,
En schreeuwt of er heel wat gebroken was;
Doch alleen zijn broekje is een beetje gescheurd
En daaraan in nu niet zoo heel veel verbeurd.
Éen duiveltje was wat te gauw benęen,
De stakker verstuikte zijn grooten teen,
Maar dien maakt hij heel spoedig weer gezond,
Hij houdt hem maar eventjes in zijn mond.

 

Daar staan ze nu, netjes opgesteld,
De kapitein heeft zijn schaar geteld ;
Hij heeft pleizier in het flinke groepje
En lachend denkt hij : ,,met zulk een troepje
Durf ik best een reis door de wereld aan,
Ja, zelfs wel een tocht naar de verre maan. "
Nu spreek hij : ,,Jongens, houdt immer moed,
Steeds vroolijk voorwaarts, dan gaat het goed ; -
Vreest niets en wilt elk gevaar trotseeren,
Je hebt immers allemaal je speren ?
Welnu dan, lustig opgemarcheerd,
Eerst mooi in positie, dan . . . rechtsom-keert !''

 

Hier zitten de dappere snaken vol moed
Met bange gezichten te rillen,
Wat is dat voor ondier, daar ginds op het gras?
O, hemel, wanneer het een slang eens was!
Zij beven en sidd’ren en trillen.
Den dikke loopt het alweer niet mee,
De speer kan den zwartmuts niet dragen,
Hoort! Hoort zijn verschrikkelijk angstgehuil,
Hij ziet zich reeds nu in des monsters muil,
En durft aan een strijd zich niet wagen ! . . .

De regenworm is zich van niets bewust
En kruipt in den grond weer, heel gerust.

 

 

Toen hebben de negen een bal gevonden,              Daar rolt de voetbal tegen hem aan,
Een prachtige, glanzende, roode, ronde;                 Half nijdig bromt hij : ,,toe, laat dat staan !
,,Een echte bal voor het voetbalspel!”                    Maar weet je wel, dat het geen voetbal is?
Roept lange Jaap, ,,komt, kinderen, snel!”	          Een kers is ‘t, broeders! Dat is gewis!” 
Acht duiveltjes gaan er nu aan het trappen,             
Maar de dikke houdt niet van zulke grappen;         Toen zetten zij zich naast elkander neer,
Het is hem te warm voor dat wild gedoe,               En aten de kers op en smulden zeer.
Hij is van’t loopen en spelen moe,
Hij wrijft zijn oogen, begint te gapen
En eindelijk gaat hij heel rustig slapen -

 

 

Hier zitten er drie in een vogelnest,            En lachen wat om hun beven.
Drie dwaze, dolle kabouters,                     Gelukkig komt moeder al gauw terug
Den armen vogelkens, klein en teęr,           En roept: ,,Voort, leelijkerds, voort, heel vlug,
Bevalt hun gezelschap niet zoo zeer,          Of siddert voor jullie leven!”
Die duivels zijn echte stouterds !
Ze bouwen de zwakke diertjes na,              Weg wipten de duivels en lachten luid
Die angstig piepen: ,,Mama – Mama !”        De lieve, doodsbange vogeltjes uit.

 

 

Bij een vijver aangekomen
Zien zij plompeblâren staan;
,,Kinderen !” roept de roode hoofdman,
,,Laat ons hierop varen gaan!”
,,Varen, varen, over de baren,
Varen over de blauwe zee”,
Zingt het dolle duiv’lentroepje,
Dikke Hans bromt lustig mee.

Zachtkens drijven zij zoo voort,
Niemand, die hun vreugde stoort.

 

 

Onderweg vond het troepjen een groot stuk hout
Benevens twee dikke steenen,
,,Daar gaan wij op wippen !” riep één verblijd,
In een oogwenk is er een wip bereid,
Daar snellen zij vroolijk henen ;
Nu gaat het omhoog, dan gaat het omlaag,
Van klipperdeklip – klip – klap,
De duiveltjes houden zich stevig vast,
Zij vinden het echt een grap . . . . .
Daar breken de planken, ze gillen luid,
En het aardige spelletje is weer uit.

 

Ze kruipen nu ijlings hun kokers in,
Daar is het reeds beter hen naar den zin –
Hun droefheid verdwijnt in hun kleine kluis,
Zij voelen zich weldra geheel weer thuis,
Men hoort hen niet en men vermoedt hen niet,
Men vindt ze nooit, hoe men ook zoekt en ziet,
Toch is er in ied’ren inktpot één
Zoo’n oolijk, blauw zwart duiveltje kleen.
_ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _

O wee, als ze spartelen met hun beenen
Dat maakt een vlek, en de kinderen weenen
Omdat de onderwijzer geen inktvlekkern duldt,
En toch hebben alleen de duiveltjes schuld !

 

 

De duiveltjes spelen voor ruiters nu                   En moppert: ,,dat noemen ze nu pleizier,
Op ’t ongezadelde paard,                                  Nooit houd ik het uit op dat wilde dier.”
Hun beestjes draven er ferm op los
En nemen eer flinke vaart.                                Het paard gaat voort in gestreken draf.
                                                                       ,,Och, broeders! helpt! ik tuimel er af,”
Doch dikken Hans breekt het angstzweet uit,      Zoo schreeuwt de dikke, geheel ontdaan . . .
Hij kreunt en steunt en zucht overluid                Hij komt hinkeldepink bij zijn makkers aan.

 

Op de groene weide in den zonneschijn             Hij kent zeer veel sprookjes, die oolijke Hans,
Bloeien sneeuwwitte bloempjes, teęr en fijn.      En vertelt ze zoo mooi als Moeder de Gans.

’t Zijn goudblonde feetjes, heel mooi en teer,     Ook de and’ren hebben schik met elkander
De duiveltjes buigen zich voor haar neer.           Wat de een niet weet, dat verzint een ander.

De roode hoofdman begroet de mama,               Zoo toeven ze lang op de groene wei
En zijn saâm in een druk gesprek weldra.           En trekken dan voort weęr, verfrischt en blij.

Hans steelt de hartjes van Liesje en van Klaartje,
Het lieve, vriend’lijke tweelingpaartje.

 

   Het zonnetje glanst er van louter goud,
   De duiveltjes lachen en zingen,
   Zij hollen naar ’t bleekje en zij dansen in ’t rond
   En dollen en hupplen en springen.
Helaas ligt er waschgoed te bleeken op ’t veld,
De waschvrouw is niets op zoo’n grapje gesteld ;
Ze zal je verwenschen, hoort, dappere negen,
Het sneeuwwitte laken vol vlekken en vegen !

   Maar ijlings ziet men ze nu ontvlięn,
   Geen duiveltjen is er meer te zien !

 

Lieve hemel ! wat een schrik !                Maar de and’re, dappre helden
Welk een monsterdier, hoe ijs’lijk,          Staren stom den vijand aan,
Ziet, het staart hen grimmig aan,             Laten ’t hun kapitein ontgelden.
Wat een muil, het is afgrijs’lijk !
Niemand, die een voet verzet,                 Plots’ling gaat de kikker kwaken
Niemand, die zich durft verroeren,          En de negen ferme snaken,
Slechts de hoofdman vat wat moed,        Dol van angst nu, allemaal,
Buldert: ,,Grijp dan toch je speren !”       Gaan luid gillend aan den haal.
Woest vliegt hij op ’t ondier af,

 

 

Zij ijlen voort in wilde vlucht,                   De roode is ’t allereerst benęen
Ze durven ’t hoofd niet wenden,               En kijkt verbijsterd om zich heen.
’t Gaat klauterend een bergpad op,
Daar stopt de duivelsbende. –                   Nu nemen zij een poosje rust,
Den berg weer af nu ; ,,sapperloot !          Dat doet hen allen goed,
Wat gaat dat hard ! Ik ben haast dood !”   En daarna zetten zij hun reis
Kreunt een en gilt een ander.                    Weer voort met frisschen moed.
Zij rollen op elkander,

 

Zij naad’ren het schoolgebouw meer en meer,
Dat het pretje reeds uit is, spijt hen zeer,
Het was ook zoo schoon op de groene wei,
Waar de vlinders dartelden, vrij en blij,
Waar de bloemfeetjes woonden, zoo zacht en blond,
En bij ’t manelicht in den avondstond . . . .
Alleen de dikke gevoelt zich moe,
Zijn oogen vallen van slaap hem toe,
Hij lacht in zich zelf en stapt weltevręen
En recht vergenoegd naar de school weer heen.

 

 

Daar zijn de negen duiveltjes weer,              Op eens klinkt een welbekend geluid,
De lange reis vermoeide hen zeer;                De schoolbel is ‘t, dus de pret is uit;
Ze droomen thans in den maneschijn            In allerijl gaan ze nu allen heel vlug,
Van de madeliefjes teer en fijn,                    Maar met droevig hart, naar de school terug.
Van de roode kers en den blauwen plas,
En het ondier, dat zoo boosaardig was . . .
Zoo sluim’ren ze zachtkens, ongestoord,
Totdat de zon door de wolken gloort.

 

Boeken pagina   MM&BB

/