Gouden Regen

 

Verteld en Geteekend door Alfred Listal

Alkmaar - Gebr. Kluitman

1919

 

Wit Sneeuwklokje kwam in het voorjaar heel vroeg.
Om met het mooi belletje dat het droeg
Te luien, bim-bam, op velden en akker
De lente-bloempjes wakker.

Eerst madeliefjes, wel tien op 'n rij,
Toen paardebloempjes, - tot geel zag de wei!
En heel gauw bloeide de meidoren al,
Ja, de bloempjes die kwamen toen overal.

De Goudenregen-kindertjes, zeg,
Die gooiden ook eindelijk hun dekentjes weg,
Maar ze waren, zoo vèr ze kijken konden
De eenige die nog in slaapkleertjes stonden.

Kijk 's, zoo zeiden ze,
Kijk eres daar :
De paardebloempjes zijn al klaar,
De viooltjes hebben hun pakjes al aan
Waar haalden ze die zoo gauw vandaan ?

 

De paardebloempjes hadden 'n pret :
,,O kijk 's, wat komen dié laat uit bed !"
De boterbloempjes knikten ja ! ja !
De madeliefjes deden het na.

En allemaal vonden ze :
,,'t Kwam niet te pas,
Nog te slapen als iedereen wakker was !"
En daarom lachten die bloempjes toen luid
De Goudenregen-kindertjes uit.

De meidoren-bloesempjes hoorden 't meteen,
Ze gluurden gauw over een schuttinkje heen,
Uit takjes en bladertjes woelden ze los,
De vroolijkste snoetjes van heel het Bosch !

Dat was een gebabbel en een gepraat :
,,De Gouden-Regen, zeg, is te laat !"

 

Maar wacht 's daar liep langs den rand van de wei
Het kleine Mei-Elfje, in een rokje van zij ;
Ze ging naar een huisje, diep onder den grond
Waar op het deurtje te lezen stond :

,,Hier woont de goie Toover-fee,
Al wie wat liefs wil helpt ze mee."

Daar kwam Mei-Elfje spoedig aan
En heeft de Fee een vraag gedaan :
,,Overmorgen, als 'k jarig ben,
Vraag 'k alle elfjes die ik ken,
De vogeltjes en de vlinders
En alle lieve kinders !
De allermooiste van alle boomen
Daar-onder zullen we samenkomen,
In bloesem-geur en 't frissche groen
De prettigste spelletjes doen.
En daarom wou 'k dat de lieve Zon
Zèlf ook wou komen als-i kon."

 

En hoor eens wat de Fee toen zei :
,,'t Is goed, klein Elfje van de Mei,
'k Zal morgen in de ochtend-uren
De Zon een boodschap sturen.

Maar zeg mij eens,
'k wou 't goed verstaan,
Die mooie boom . . ..
heb je al een keus gedaan ?"
En 't Elfje antwoordt,
Geen ziertje verlegen :
,,O ja - de Gouden-Regen !"

De Fee riep een leeuwrikje midden in 't veld,
En heeft dat Mei-Elfje's boodschap verteld ;
En 't leeuwrikje, 's morgens zoo vroeg als het kon,
Vloog zingend de lucht in,
omhoog naar de Zon
.

 

De Zon vond het plannetje juist naar z'n zin !
Des avonds sliepen de bloempjes in ;
Toen heeft Vader Zon al z'n straaltjes geroepen,
Die kwamen, heel zachtjes,
in groote troepen.

,,Kom kind'ren," zoo riep hij,
,,neem 't goud uit mijn huis,
Alle ringen en kraaltjes en brokjes en gruis,
Gaar 't alles in mandjes en korfjes bijeen,
En strooi het vannacht over d'aarde heen !"

Dat hebben de Zonnestraaltjes gedaan,
Heel stilletjes, 's nachts . . .
daar kwamen ze aan,
Elk met een korfje vol goud of een mand,
En die gooiden ze leeg over tuinen en land,
Over de velden,
over de wegen,
Voor de kindertjes van den Goû-regen.

 

Toen 't haantje ging kraaien,
de vogeltjes fluiten,
Toen kwamen de Goûregen-kindertjes buiten,
En ze zochten en raapten van bladers en gras
Al het goud dat van boven geregend was.

En ze haalden het binnen,
de kleine snaken,
Om er hun kleertjes mee mooi te maken.

Ieder een lintje, ieder 'n strik,
Ieder wat naar z'n eigen schik,
Elkeen waar-i 't meest van houdt,
Een pakje, een jakje,
een zakje van goud !

Pas eens dit en meet eens dat,
Maak een plooitje en strijk eens glad !
Elkeen bindt en knoopt en vouwt :
Alle kindertjes worden van goud !

 

Mei-Elfje viert vandaag haar feest,
De bloempjes pronken om het meest ;
Wat 'n prachtige kleurtjes,
wat geuren ze fijn !
Wie zal er vandaag de mooiste zijn ?

De goede Fee komt door de wei,
En alle bloempjes gaat ze voorbij ;-
Maar kijk, de boom van den Gouden-Regen
Daar klopt zij met haar stokje tegen :

,,Naar buiten !" zoo roept ze,
,,je komt er toch bij ?
Mei-Elfje is jarig,
hier geeft ze 'n partij !
En de Zon heeft gezegd
dat-i komen zal
Om te kijken wie 't mooist is van het bal.
De Elfjes dansen,
de vogeltjes fluiten,
Zeg, hoor je me niet ?
Kom buiten !"

 

Daar kwamen ze allemaal voor den dag :
,,Wat fijn !" riep iedereen die ze zag.
Wat lachten ze bij,
wat keken ze stout,
En al hun kleertjes waren van goud,
Het was om niet te gelooven,
Goud, goud van onder tot boven !

De madeliefjes die keken heusch
Nu wel 'n beetje op 'r neus !
En de paardebloempjes die zwegen.
En de meidoren zei :
,,Ik weet het al
Wie of het mooist is op het bal
De kindertjes van den Goû-regen !"

Alfred Listal

 

MM&BB