Bellaroontje,

Het Woud-Prinsesje

Tekst van Alfred Listal

Alkmaar - Gebr. Kluitman.

 

 

Bellaroontje,
Roze-koontje,
Staat je troontje in het woud ?
Knip-je, meet-je
Daar je kleedje,
O dat mooie rooie, weet-je,
Met je kroontje op van goud ?

Knoopt je handje
Daar een kantje
Aan het randje van je kraag ?
Wisch j elk vuiltje
Van je muiltje,
Vlecht je door je haar een tuiltje,
Zal t een feestje zijn vandaag ?

Kijk eens buiten
Door de ruiten,
Hoor het fluiten en gekweel,
Blije wijsjes
Van de sijsjes ;-
Roep de haasjes en patrijsjes
Op het mos, als groen fluweel !

Blondekopje
Pluk een knopje
Aan het topje van dien struik,
t Fijnste kleurtje,
t Reinste geurtje,
Dat je, spelend buiten t deurtje,
Heel den dag t zoet reukje ruik !

Met hun dansjes
Komen kransjes
Druppel-glansjes aan van dauw,
Over grasjes
En gewasjes,
Juichen bij hun huppel-pasjes :
,,Bellaroontje, kom toch, gauw !

Kleuter-stoetje,
Zingen moet-je
t Morgen-groentje bij haar tooi.
Bellaroontje
Van je troontje
Kom nu met je kleed en kroontje,
Bellaroontje, maak je mooi !

 

Bellaroontje, het kleine Woud-prinsesje was al heel vroeg opgestaan. Niemand anders was nog wakker in het mooie kasteel, waar ze woonde, midden in het Bosch.
Waarom was Bellaroontje zoo vroeg in den morgen haar bedje uitgewipt ? Wel, haar nieuw zomerkleedje moest nog af : zij wilde er vandaag in uit-wandelen gaan ; zij maakte het zelf want het moest o zoo mooi worden zie je ; een zijden kleedje zoo rood als een klaproos.
Heel ijverig zat zij op haar troontje te werken met een schaar en zijden draadjes en een vingerhoedje van zilver.
En juist was het nieuwe zomerkleedje klaar, toen hoorde zij buiten een liedje zingen ; het waren lieve zachte stemmetjes die haar riepen : ,,Bellaroontje, Bellaroontje, kom ,,toch naar buiten ! Het prinsesje keek gauw uit haar venstertje, en toen zag ze dat het de Dauwdroppeltjes waren, een heele stoet : zij dansten op het gras in rokjes van blauw en mutsjes op met zilveren kraaltjes die glinsterden in het morgenzonnetje. ,,Ik kom, ik kom ! riep Bellaroontje.

En nu is zij buiten gekomen, met haar nieuwe zomerkleedje al aan. En de Dauwdroppeltjes helpen haar. Zij borstelen haar lokjes en trekken haar gouden muiltjes aan de voetjes. Kijk, Bellaroontje moet vandaag heel mooi wezen, want de zon schijnt zoo heerlijk, en de vogeltjes fluiten zoo blij ; - het zal vandaag een feestje zijn !

 

 

En nu draven uit het Bosch
Kokjes, in een pak van mos,
Mutsjes op, en schoentjes aan,
Door de hooge dennen-laan,
Tot ze Bellaroontje vinden
In de schaduw van een linde ; -
Want de klok zei : ,,t Is nu tijd
,,Voor een smakelijk ontbijt !-
Kijk, daar komt er n langs t paadje
Met een tulband, - krijg je trek ?
n Ander heeft een koek gekozen,
Of een mandje met frambozen,
O, zoo n lekkerbek !
Ieder koos, - geloof t gerust !
Wat hij zelf het liefste lust ;
Maar geen enkle kleine man
Snoept er zelf n hapje van !
Neen, geen ventje snoept n krentje,
Niet n brokje, niet n slokje, -
Zeg eens of je t nadoen kan ?
- Weer een andre kok brengt honing
Haastig naar Prinsesjes woning,
Kijk, een groote glazen kom, -
Laat m maar niet stooten, bonzen ;
Hoor die bijtjes er om gonzen :
Ronze-ronze-brom ! . . .

 

Maar Bellaroontje, het Woud-prinsesje, kan niet altijd smullen, al is het ng zoo lekker eindelijk is de trek er af ! ,,Lust je niet meer ? vraagt Meester Raaf, - ,,kom dan met mij mee, dan zal ik je wat leeren uit mijn groote boek, - want een prinsesje dat niet elken dag wat leert, wordt nooit een wijs en verstandig prinsesje.
Nu, dat begrijpt Bellaroontje ook wel, en daarom neemt ze haar leitje en een nieuwe griffel en schrijft alles op wat meester Raaf haar voorzegt. En wat weet die n boel ! Kijk maar eens hoe geleerd hij er uit ziet, achter zijn groote boek, met zijn bril op. En wou je nu hooren wat daar in staat ? De namen van alle mooie bloempjes en vogeltjes staan er in, ja, van alle dieren die in het Bosch en op het veld leven ; - en ook de dagen van de week en de jaargetijden. Zoo leert Bellaroontje van alle bloempjes wanneer ze bloeien en van alle vruchten wanneer ze rijp zijn. En ook mooie versjes leert Meester Raaf haar, luister, dit is er een van :

Als je hartje blij wil zijn
Wees dan lief en doe geen pijn ;
Doe je mensch of dier verdriet
Neen, dan kan je hartje t niet !

 


Bellaroontje, speel je fijntjes
Met je hertje en konijntjes,
Met je lijstertje dat fluit ?
Wat een heerlijk tochtje samen !
Snoep maar van de rijpe bramen,
Want de school is uit.

Meester Raaf heeft uit-gelezen :
Neen hij heeft je wt geprezen,
Want je leerde vlijtig, hoor !
Weet je nu den naam te noemen
Van de vogels en de bloemen ?
Zeg ze mij eens voor !

Kijk, een eekhoorntje in de takken !
Wie zou ooit z n vluggerd pakken !
Roep het eens, - ken jij zijn taal ?
k Zie wel, beste maatjes werd-je
Met je vogels en je hertje,
Met je diertjes allemaal :

 

Nu weer een ander spelletje ! ,,Weet-je wat, denkt Bellaroontje, ,,ik heb in het kleine boschje achter het kasteel zulke mooie paddestoeltjes gezien, daar ga ik naar toe. En tot een klein wit konijntje roept ze : ,,Witje, o Witje, waar zit je, zeg ? Witje, waar zit je, kom wijs mij den weg ! . . . Hoep ! daar springt het kleine lieve diertje te voorschijn uit zijn schuilhoekje ; zoo wit als sneeuw ziet het en het heeft mooie roode oogjes.
Kijk eens, wat aardig huppelt het de paadjes langs : Bellaroontje, heeft moeite haar gidsje bij te houden ! In een ommezientje zijn ze bij de paddestoeltjes. ,,Nu kan ik wel weer gaan ! denkt Witje, en wip ! wip ! weg is het ! En het Woud-Prinsesje zet zich midden tusschen de paddestoeltjes neer, want zij moeten haar sprookjes vertellen ; ieder paddestoeltje heeft een eigen klein sprookje en het is a;tijd van de bloempjes en de vlindertjes, en de torretjes, want die kennen de paddestoeltjes allemaal, omdat ze onder hun hoedjes komen schuilen als het regent. En van een sprinkhaantje dat wou doen of hij vliegen kon, en over een sloot heen wilde omdat een vlindertje dat ook deed. Hij wou de minste niet wezen, zie je : En toen nam het sprinkhaantje een sprongetje en kwam midden in de sloot terecht ! Maar het vlindertje zat op een bloempje aan den overkant en lachte het sprinkhaantje uit en dacht : ,,Zoon domoor ! Waarom wou-i ook knapper lijken dan-i is ? ,,Nu, zegt het Paddestoeltje, ,,had het vlindertje geen gelijk ?

 

Woud-Prinsesje, luister :
Wordt het niet te duister ?
Wordt het niet te laat ?
Hoor-je niet, rood-rokje,
Hoeveel slagen t klokje
Van den toren slaat ?

Zeg eens, zou het spelen
Zoo wel ooit vervelen,
Als je wandlen mag
Met je hertebeestje ?
Was t vandaag geen feestje ?
Was t geen fijne dag ?

Ja, wel duizend uren
Mocht zoon dagje duren,
En nog honderd toe !
Bloempjes en kapelletjes,
Sprookjes, liedjes, spelletjes . . .
Word-je t heel niet moe ?

Zeg t maar zonder jokken !
Op je blonde lokken
Schijnt het maantje neer.
k Zie je oogjes knippen,
En je voetjes trippen
Niet zoo vlugjes meer ! . .

Witte Sterre-wichtjes
Steekt nu aan je lichtjes
In de donkre laan,
Dan kan Bellaroontje
Veilig naar dr troontje
En naar bed toe gaan.

 

Nu is Ballaroontje, het Woud-Prinsesje, gaan slapen.
Zou je niet eens willen kijken, hoe ze ligt in haar sneeuwwitte bedje ?
Haar kroontje heeft ze nu afgezet : het ligt op een rood kussentje, en dat roode kussentje ligt op een gouden bankje, en dat bankje staat op een marmeren vloer, zoo wit, zoo wit, nog witter dan het bedje van Bellaroontje. En den heelen nacht brandt een lampje boven haar hoofd. Kijk, daar boven in den toren zie je het licht door het venstertje schijnen. Daar slaapt ze nu. Wees maar heel stil, anders mocht ze eens wakker worden ; hoor je wel dat alle vogeltjes in het Bosch ook stil zijn ? Het hertje ban Bellaroontje slaapt ook, en de konijntjes en de vlindertjes, en de eekhoorntjes en de paddestoeltjes. En meester Raaf ; allemaal slapen ze. Alleen n sterretje, dat is nog wakker.
Met een lichtje zit het in het Bosch, en telkens wanneer de klok slaat zegt het zachtjes :

Bellaroontje t is nog nacht,
Slaap gerust, ik hou de wacht ;
Tot den morgen blijf ik hier,
De klok slaat drie de klok slaat vier.

 

 

Alfred Listal

MM&BB